Home / Ottoman path · level 2 / Les 12 van 17

Op slot

De vier figuren

Terug naar level 2

Preview

A look at lesson 12 of level 2. Level 2 opens after level 1; until then you can read this lesson, but its test and the way on stay closed.

Ottoman path · level 2 · Sharḥ Īsāghūjī · Les 12 van 17

De vier figuren

Syllogismen · Matn 39–41

القِيَاس

Arabic text after the print of Beirut · translation by The Mantiqi, draft

About this text

Sharḥ Īsāghūjī شَرْحُ إِيساغُوجِي

Ḥusām al-Dīn al-Kātī (d. ca. 760/1359)

Text
Arabic: Sharḥ matn al-Īsāghūjī fī al-manṭiq, with notes by Qāsim Naʿīm al-Ḥanafī (not reproduced), Dār al-Kutub al-ʿIlmiyya, Beirut View the scan
Translation
The Mantiqi's own; a draft.
Review
Draft, awaiting review by Ustadh Muhammad Yusuf.

De matn

وَالأَشْكَالُ أَرْبَعَةٌ، لِأَنَّ الْحَدَّ الأَوْسَطَ إِنْ كَانَ مَحْمُولًا فِي الصُّغْرَى مَوْضُوعًا فِي الْكُبْرَى فَهُوَ: الشَّكْلُ الأَوَّلُ، وَإِنْ كَانَ مَحْمُولًا فِيهِمَا فَهُوَ: الشَّكْلُ الثَّانِي، وَإِنْ كَانَ مَوْضُوعًا فِيهِمَا فَهُوَ: الشَّكْلُ الثَّالِثُ، وَإِنْ كَانَ مَوْضُوعًا فِي الصُّغْرَى مَحْمُولًا فِي الْكُبْرَى فَهُوَ: الشَّكْلُ الرَّابِعُ.

Er zijn vier . Is de het in de en het in de grote, dan is dat de eerste figuur. Is ze in beide het predicaat, dan is het de tweede; is ze in beide het subject, dan de derde; en is ze het subject in de kleine en het predicaat in de grote, dan de vierde.

Zin 39

وَالثَّانِي يَرْتَدُّ إِلَى الأَوَّلِ بِعَكْسِ الْكُبْرَى، وَالثَّالِثُ يَرْتَدُّ إِلَيْهِ بِعَكْسِ الصُّغْرَى، وَالرَّابِعُ يَرْتَدُّ إِلَيْهِ بِعَكْسِ التَّرْتِيبِ أَوْ بِعَكْسِ الْمُقَدِّمَتَيْنِ جَمِيعًا.

De tweede wordt teruggebracht tot de eerste door de om te keren, de derde door de kleine om te keren, en de vierde door de volgorde van de om te draaien of door ze allebei om te keren.

Zin 40

وَالْكَامِلُ الْبَيِّنُ الإِنْتَاجِ هُوَ الأَوَّلُ، وَالرَّابِعُ مِنْهَا بَعِيدٌ عَنِ الطَّبْعِ جِدًّا، وَالَّذِي لَهُ طَبْعٌ مُسْتَقِيمٌ وَعَقْلٌ سَلِيمٌ لَا يَحْتَاجُ إِلَى رَدِّ الثَّانِي إِلَى الأَوَّلِ؛ وَإِنَّمَا يُنْتِجُ الثَّانِي عِنْدَ اخْتِلَافِ مُقَدِّمَتَيْهِ بِالإِيجَابِ وَالسَّلْبِ.

De volmaakte , waarvan de conclusie vanzelf duidelijk is, is de eerste. De vierde staat heel ver af van het gewone denken. Wie een gezonde aard en een gezond verstand heeft, hoeft de tweede niet tot de eerste terug te brengen. De tweede leidt alleen tot een conclusie als de ene bevestigt en de andere ontkent.

Zin 41

Het commentaar Ḥusām al-Dīn al-Kātī

قالَ: وهيأةُ التَّأليف من الصُّغرى والكُبرى يُسمَّى شَكلاً، والأشكالُ أربعةٌ، لأنَّ الحدَّ الأوسطَ إن كان محمولاً في الصغرى وموضوعاً في الكبرى، فهو الشَّكلُ الأولُ، وإن كان بالعكس، فهو الشَّكلُ الرابعُ، وإن كان موضوعاً فيهما، فهو الثالثُ، وإن كان محمولاً فيهما، فهو الثاني، فهذه الأشكالُ الأربعةُ مذكورةٌ في المنطقِ.

أَقُولُ: الهيأةُ الحاصلةُ من اقترانِ الصُّغرى والكُبرى تُسمَّى شَكلاً، والأشكالُ أربعةٌ، لأنَّ الحدَّ الأوسطَ إن كان محمولاً في الصُّغرى، وموضوعاً في الكُبرى، فهو الشَّكلُ الأولُ كقولنا كلُّ (ج) (ب)، وكلُّ (ب) (أ)، فكلُّ (ج) (أ)، وإن كان بالعكس أي إن كان موضوعاً في الصُّغرى محمولاً في الكُبرى، فهو الشَّكلُ الرابعُ نحوُ: كلُّ (ب) (ج)، وكلُّ (أ) (ب)، فبعضُ (ج) (أ)، وإن كان الحدُّ الأوسطُ موضوعاً فيهما أي في الصُّغرى والكُبرى نحوُ: كلُّ (ب) (ج)، وكلُّ (ب) (أ)، فبعضُ (ج) (أ)، فهو الشَّكلُ الثالثُ، وإن كان محمولاً في الصُّغرى والكُبرى نحوُ: كلُّ (ج) (د)، ولا شيءَ من (ب) (د)، فلا شيءَ من (ج) (ب)، فهو الشَّكلُ الثاني، فهذه هي الأشكالُ الأربعةُ المذكورةُ في المنطقِ.

De vorm die ontstaat uit de combinatie van de kleine en de heet de . Er zijn vier figuren. Want is de het in de en het in de grote, dan is dat de eerste figuur, zoals onze uitspraak: “Elke C is B, en elke B is A, dus elke C is A.” Is het omgekeerd – dat wil zeggen: is ze het subject in de kleine premisse en het predicaat in de grote –, dan is het de vierde figuur, zoals: “Elke B is C, en elke A is B, dus sommige C zijn A.” Is de middenterm het subject in beide – dat wil zeggen: in de kleine en de grote premisse –, zoals “Elke B is C, en elke B is A, dus sommige C zijn A”, dan is het de derde figuur. En is ze het predicaat in de kleine en de grote premisse, zoals “Elke C is D, en geen B is D, dus geen C is B”, dan is het de tweede figuur. Dit zijn dus de vier figuren die in de logica besproken worden.

Sharḥ Īsāghūjī · p. 66

قالَ: الشَّكلُ الرَّابعُ منها بعيدٌ عن الطَّبْع جداً، ومَنْ له عَقْلٌ سليمٌ، وطَبْعٌ مستقيمٌ لا يَحتاجُ إلى ردِّ الثاني إلى الأولِ، وإنَّما يُنتِجُ الثاني عند اختلافِ مُقدِّمتيه بالإيجابِ والسَّلبِ.

أَقُولُ: من هذه الأشكالِ الأربعة المذكورةِ الشَّكلُ الرابعُ، وهو بعيدٌ عن الطبع جداً، لأنه لا يُستَحصلُ المطلوبُ منه إلا بالتعسُّر، وإنَّما يُستَحصلُ بالأشكالِ الباقيةِ بالتيسُّر، ومن هذه الباقية ما هو أقربُ إلى الطبع هو الشَّكلُ الأولُ، والباقيةُ أعني الثاني والثالث والرابع تَرتدُّ عند الإنتاج إلى الأولِ، ومَنْ له طبعٌ سليمٌ وعقلٌ مستقيمٌ لا يَحتاجُ إلى ردِّ الشَّكلِ الثاني إلى الأول، لأنه أقربُ الباقين إليه لمشاركتهِ إياه في الصُّغرى، وهي أشرفُ المقدِّمتين لاشتمالِها على موضوع المطلوب الذي هو أشرفُ من المحمول، لأنَّ المحمولَ إنما يُطلَبُ لأجله، واعلم أنَّ الشَّكلَ الثاني إنما يُنتِجُ إذا كانت مقدِّمتاه أي الصُّغرى والكُبرى فيه مُختلفتين بالإيجاب والسلب: أي إذا كانت إحداهما موجبةً، فالأخرى سالبةٌ وإلا لكانتا إمَّا مُوجَبتينِ، أو سالبتينِ، وأياً ما كان يتحقَّقُ الاختلافُ في النَّتيجة، أَمَّا إذا كانتا موجبتين فلأنه يصدُقُ كلُّ إنسانٍ حيوانٌ، وكلُّ ناطقٍ حيوانٌ، والحقُّ الإيجابُ، فإذا بدَّلنا الكُبرى بقولنا كلُّ فرسٍ حيوانٌ، كان الحقُّ السلبَ، وأَمَّا إذا كانتا سالبتين فلأنه يصدُقُ لا شيءَ من الإنسان بحجرٍ، ولا شيءَ من الفرسِ بحجرٍ، كان الحقُّ السلبَ، ولو بدَّلنا الكبرى بقولنا لا شيءَ من الناطقِ بحجرٍ، كان الحقُّ الإيجابَ، بخلافِ ما إذا وُجِدَ الاختلافُ بين المقدّمتين بالإيجابِ والسلبِ، ومع هذا الشَّرط يلزمُ كلية الكبرى في هذا الشكلِ، وإلا لاختلفت النتيجةُ كقولنا: لا شيءَ من الإنسان بفرسٍ، وبعضُ الحيوانِ فرسٌ، والحقُّ الإيجابُ، ولو قلنا: بعضُ الصَّاهل فرسٌ، كان الحقُّ السلبَ، هذا على تقدير إيجاب الكبرى، وأَمَّا على تقدير سلبِها فلأنه يصدُقُ قولُنا: كلُّ إنسانٍ حيوانٌ، وبعضُ الجسم ليس بحيوانٍ، والحقُّ الإيجابُ، وإذا قلنا: بعضُ الحجرِ ليس بحيوانٍ، كان الحقُّ السلبَ، ولم يذكر المُصنِّفُ رَحِمَهُ اللهُ هذا الشَّرطَ.

Van deze vier staat de vierde figuur “heel ver af van het gewone denken”, omdat de gezochte conclusie er alleen met moeite uit te halen is, terwijl ze met gemak uit de overige figuren te halen is. Van die overige staat de eerste figuur het dichtst bij het gewone denken; de rest – ik bedoel de tweede, de derde en de vierde – wordt tot de eerste teruggebracht wanneer ze [een conclusie] opleveren. Wie een gezonde aard en een gezond verstand heeft, hoeft de tweede figuur niet tot de eerste terug te brengen, omdat die van de overige het dichtst bij de eerste staat: ze heeft de met haar gemeen. De kleine premisse is de edelste van de twee , omdat ze het van de gezochte conclusie bevat, en dat is edeler dan het , want het predicaat wordt alleen omwille van het subject gezocht. Weet dat de tweede figuur alleen tot een conclusie leidt als haar premissen – dat wil zeggen: haar kleine en haar – verschillen in bevestiging en ontkenning: als de ene bevestigend is, is de andere ontkennend. Anders zouden ze allebei bevestigend of allebei ontkennend zijn, en in beide gevallen wisselt de conclusie. Als ze allebei bevestigend zijn: “Elke mens is een dier, en elk redelijk wezen is een dier” is waar, en de ware verhouding [tussen de uitersten] is bevestigend; maar als we de grote premisse vervangen door “Elk paard is een dier”, is de ware verhouding ontkennend. Als ze allebei ontkennend zijn: “Geen mens is een steen, en geen paard is een steen” is waar, en de ware verhouding is ontkennend; maar als we de grote premisse vervangen door “Geen redelijk wezen is een steen”, is de ware verhouding bevestigend. Anders is het als de twee premissen verschillen in bevestiging en ontkenning. Naast deze voorwaarde moet in deze figuur de grote premisse algemeen zijn; anders zou de conclusie wisselen. Neem onze uitspraak “Geen mens is een paard, en sommige dieren zijn paarden”: de ware verhouding is bevestigend; maar als we zeggen “Sommige hinnikende wezens zijn paarden”, is de ware verhouding ontkennend. Dat is in de veronderstelling dat de grote premisse bevestigend is. In de veronderstelling dat ze ontkennend is: onze uitspraak “Elke mens is een dier, en niet elk lichaam is een dier” is waar, en de ware verhouding is bevestigend; maar als we zeggen “Niet elke steen is een dier”, is de ware verhouding ontkennend. De auteur – moge God hem genadig zijn – heeft deze voorwaarde niet genoemd.

Sharḥ Īsāghūjī · p. 67

Test jezelf

3 vragen over wat het commentaar uitlegt. Met 6 van de 10 of meer (twee sterren) gaat de volgende les open.

  1. Vraag 1

    Waarom hoeft iemand met een gezond verstand de tweede figuur volgens al-Kātī niet tot de eerste terug te brengen?

  2. Vraag 2

    Hoe laat al-Kātī zien dat twee bevestigende premissen in de tweede figuur geen conclusie opleveren?

  3. Vraag 3

    Welke verdere voorwaarde van de tweede figuur voegt al-Kātī toe, met de opmerking dat de auteur haar niet noemde?

Volgende les: De modi van de eerste figuur

Verder →