أُغْلُوطَةٌ
لَوْ لَمْ يَصْدُقْ قَضِيَّةٌ لَمْ يَصْدُقْ «زَيْدٌ قائِمٌ»، وَكُلَّما لَمْ يَصْدُقْ «زَيْدٌ قائِمٌ» صَدَقَ نَقِيضُهُ، أَعْنِي «زَيْدٌ لَيْسَ بِقائِمٍ»، يُنْتِجُ: كُلَّما لَمْ يَصْدُقْ قَضِيَّةٌ صَدَقَ «زَيْدٌ لَيْسَ بِقائِمٍ»، مَعَ أَنَّها قَضِيَّةٌ مِنَ القَضايا. وَالحَلُّ أَنَّ التَّقادِيرَ المَأْخُوذَةَ فِي الكُبْرَى، أَعْنِي قَوْلَكَ: «كُلَّما لَمْ يَصْدُقْ زَيْدٌ قائِمٌ صَدَقَ نَقِيضُهُ، أَعْنِي زَيْدٌ لَيْسَ بِقائِمٍ»، إِنْ كانَتْ واقِعِيَّةً فَصِدْقُها مُسَلَّمٌ، لٰكِنْ لا انْدِراجَ؛ إِذِ الحُكْمُ فِي الصُّغْرَى إِنَّما هُوَ عَلَى التَّقادِيرِ الفَرْضِيَّةِ الغَيْرِ الواقِعِيَّةِ ضَرُورَةَ أَنَّ عَدَمَ صِدْقِ قَضِيَّةٍ مِنَ القَضايا مِنَ المُمْتَنِعاتِ، ضَرُورَةَ أَنَّ قَوْلَنا: «الواجِبُ مَوْجُودٌ أَوْ سَمِيعٌ أَوْ بَصِيرٌ» واجِبُ الصِّدْقِ، فَيَكُونُ عَدَمُ صِدْقِها مُحالًا؛ وَإِنْ كانَتْ تَقادِيرُ الكُبْرَى أَعَمَّ مَنَعْنا الكُلِّيَّةَ؛ إِذْ كَذِبُ الشَّيْءِ إِنَّما يَسْتَلْزِمُ صِدْقَ نَقِيضِهِ بِحَسَبِ الواقِعِ، فَإِنَّهُ جازَ عَلَى تَقْدِيرِ المُحالِ أَنْ يَكْذِبَ النَّقِيضانِ مَعًا؛ لِأَنَّ المُحالَ جازَ أَنْ يَسْتَلْزِمَ مُحالًا آخَرَ. وَيَقْرُبُ مِنْ هٰذِهِ الأُغْلُوطَةِ المُغالَطَةُ العامَّةُ الوُرُودِ الَّتِي يُمْكِنُ أَنْ يُثْبَتَ بِها أَيُّ مَطْلُوبٍ أَرَدْتَ، صادِقًا كانَ أَوْ كاذِبًا، فَنَقُولُ: المُدَّعَى ثابِتٌ؛ لِأَنَّهُ لَوْ لَمْ يَكُنِ المُدَّعَى ثابِتًا كانَ نَقِيضُهُ ثابِتًا، وَكُلَّما كانَ نَقِيضُهُ ثابِتًا كانَ شَيْءٌ مِنَ الأَشْياءِ ثابِتًا، يُنْتِجُ: لَوْ لَمْ يَكُنِ المُدَّعَى ثابِتًا كانَ شَيْءٌ مِنَ الأَشْياءِ ثابِتًا، وَيَنْعَكِسُ بِعَكْسِ النَّقِيضِ: لَوْ لَمْ يَكُنْ شَيْءٌ مِنَ الأَشْياءِ ثابِتًا كانَ المُدَّعَى ثابِتًا، مَعَ أَنَّهُ شَيْءٌ مِنَ الأَشْياءِ، هٰذا خُلْفٌ. وَتَحَيَّرَ العُقَلاءُ فِي حَلِّهِ؛ فَمِنْ قائِلٍ يَقُولُ: إِنّا لا نُسَلِّمُ أَنَّ تِلْكَ الشَّرْطِيَّةَ تَنْعَكِسُ بِهٰذا العَكْسِ إِلَى هٰذِهِ الشَّرْطِيَّةِ، كَيْفَ وَالشَّيْئانِ فِي الأَصْلِ وَالعَكْسِ مُخْتَلِفانِ بِالعُمُومِ وَالخُصُوصِ، بَلْ عَكْسُ هٰذِهِ الشَّرْطِيَّةِ قَوْلُنا: «كُلَّما لَمْ يَكُنْ ذٰلِكَ الشَّيْءُ ثابِتًا كانَ المُدَّعَى ثابِتًا»، وَهُوَ حَقٌّ، وَإِنْ شِئْتَ قُلْتَ بِتَقْرِيرٍ آخَرَ: إِنَّ عَكْسَ تِلْكَ الشَّرْطِيَّةِ «لَوْ لَمْ يَكُنْ شَيْءٌ مِنَ الأَشْياءِ ثابِتًا فِي ضِمْنِ نَقِيضِ المُدَّعَى كانَ المُدَّعَى ثابِتًا». وَمِنْ مُجِيبٍ يُجِيبُ بِأَنَّ المُقَدَّمَ فِي العَكْسِ مُحالٌ، وَالمُحالُ جازَ أَنْ يَسْتَلْزِمَ نَقِيضَهُ. فَلا خُلْفَ. وَقَدْ وَقَعَ الإِطْنابُ فِي تَفْصِيلِ هٰذا البابِ؛ لِما أَنَّ الوَسائِلَ المُدَوَّنَةَ فِي هٰذا الفَنِّ الَّتِي جَرَتْ فِي زَمانِي هٰذا عادَةً قِراءَتُها خالِيَةٌ عَنْ تَفْصِيلِ بابِ المُغالَطَةِ، فَرَأَيْتُ أَنْ أُوَشِّحَ بِذِكْرِهِ رِسالَتِي هٰذِهِ؛ لِتَكُونَ نافِعَةً لِلمُتَعَلِّمِينَ، مُفِيدَةً لِلطّالِبِينَ.
Als geen enkele waar was, zou “Zayd staat” niet waar zijn; en telkens wanneer “Zayd staat” niet waar is, is het ervan, ik bedoel “Zayd staat niet”, waar. Dat levert op: telkens wanneer geen enkele propositie waar is, is “Zayd staat niet” waar; en toch is dat een van de proposities. De oplossing: de situaties die in de genomen worden – ik bedoel je woorden “Telkens wanneer ‘Zayd staat’ niet waar is, is het tegenstrijdige ervan, ik bedoel ‘Zayd staat niet’, waar” – zijn ofwel feitelijk ofwel algemener. Zijn ze feitelijk, dan wordt de waarheid ervan toegegeven, maar [het geval van de ] valt er niet onder: want het oordeel in de kleine premisse gaat alleen over veronderstelde, niet-feitelijke situaties, en dat noodzakelijk, omdat het tot het onmogelijke behoort dat helemaal geen enkele propositie waar is. Dat is noodzakelijk zo, omdat onze uitspraak “Het Noodzakelijke [Wezen] bestaat”, of “hoort”, of “ziet” noodzakelijk waar is, zodat het onmogelijk is dat ze niet waar is. Zijn de situaties van de grote premisse algemener, dan geven we haar algemeenheid niet toe: want dat iets onwaar is, brengt alleen in de feitelijkheid mee dat het tegenstrijdige ervan waar is, aangezien bij een onmogelijke veronderstelling beide tegenstrijdigen samen onwaar kunnen zijn, omdat het onmogelijke een ander onmogelijke kan meebrengen. Dicht bij deze drogreden ligt de drogreden van algemene toepassing, waarmee elke bewering die men wil bewezen kan worden, of ze nu waar is of onwaar. We zeggen: de bewering staat vast; want als de bewering niet vaststond, zou het tegenstrijdige ervan vaststaan; en telkens wanneer het tegenstrijdige ervan vaststaat, staat er iets vast. Dat levert op: als de bewering niet vaststond, zou er iets vaststaan. Door wordt dat omgekeerd tot: als er niets vaststond, zou de bewering vaststaan; en toch is [de bewering] iets. Dat is ongerijmd. Denkers zijn in verlegenheid geraakt bij het oplossen ervan. Sommigen zeggen: we geven niet toe dat deze door deze tot die voorwaardelijke propositie omgekeerd wordt. Hoe zou dat ook kunnen, terwijl het ‘iets’ in het origineel en in de omkering verschilt in algemeenheid en specificiteit? De omkering van deze voorwaardelijke propositie is eerder onze uitspraak: “Telkens wanneer dat ding niet vaststaat, staat de bewering vast”, en dat is waar. Of, als je wilt, formuleer het anders: de omkering van die voorwaardelijke propositie is “Als er niets vaststond binnen het tegenstrijdige van de bewering, zou de bewering vaststaan.” Anderen antwoorden dat het in de omkering onmogelijk is, en dat het onmogelijke zijn eigen tegenstrijdige kan meebrengen; er volgt dus niets ongerijmds. Dit hoofdstuk is uitvoerig behandeld omdat de handboeken die in dit vak geschreven zijn en die men in deze tijd van mij gewoonlijk leest, geen gedetailleerde behandeling van het hoofdstuk over de bevatten. Daarom vond ik het goed deze verhandeling van mij daarmee te tooien, zodat ze de leerlingen tot nut is en de studenten van dienst.
al-Mirqāt · p. 60