Arabic: al-Mirqāt, with al-Shīrkūtī's gloss al-Mirʾāt (gloss not reproduced), checked against the Delhi print of 1286/1869 (Sayyid al-Maṭābiʿ); vowel marks added by The Mantiqi (draft), Kutub Khāna Iʿzāziyya, Deoband after 1336/1917 View the scan
Translation
The Mantiqi's own; a draft.
Review
Draft, awaiting review by Ustadh Muhammad Yusuf.
Concept · vertaling nog niet nagekeken
0
Inleiding (al-muqaddima)
المُقَدِّمَةُ
Les 1 · De opening: kennis, voorstelling en instemming
Lof zij God, die de hemelsferen en de aardes heeft voortgebracht. Zegen zij met hem die al profeet was toen Adam nog tussen water en klei was, en met zijn familie en zijn metgezellen, met hen allen.
Dan het volgende. Dit zijn een aantal hoofdstukken over de wetenschap van de weegschaal, die ieder met verstand die er lering uit wil trekken, moet onthouden en beheersen. Op God is ons vertrouwen, en Hij is het bij wie hulp wordt gezocht.
Weet dat het woord “kennis” in meerdere betekenissen gebruikt wordt. De eerste is het optreden van de vorm van iets in het verstand. De tweede is de vorm van iets zoals die bij het verstand aanwezig is. De derde is wat aanwezig is bij degene die het vat. De vierde is het ontvangen van die vorm door de ziel. De vijfde is de relatie die ontstaat tussen de kenner en het gekende. Kennis wordt in twee soorten verdeeld: de ene heet , de andere wordt genoemd. Een voorstelling is een vatten zonder oordeel. Met oordeel wordt bedoeld: het ene ding met het andere in verband brengen, bevestigend of ontkennend; of, zo men wil: [het verband] leggen of wegnemen. Soms wordt het oordeel ook uitgelegd als [het vatten] dat het verband werkelijk bestaat of niet bestaat. [Een voorstelling is] zoals wanneer men zich alleen Zayd voorstelt, of alleen staand, zonder het staan aan Zayd toe te kennen of het hem te ontzeggen. Instemming is volgens de filosofen het oordeel dat samengaat met voorstellingen. De drie voorstellingen zijn dus een voorwaarde voor het bestaan van de instemming; daarom is er geen instemming zonder voorstelling. Imam al-Rāzī zegt echter dat ze het geheel is van het oordeel en de voorstellingen van de [twee] kanten. Wanneer men dus zegt “Zayd staat” en aanvaardt dat Zayd staat, verwerft men drie stukken kennis. Het eerste is de kennis van Zayd; het tweede is het vatten van de betekenis van “staand”; en het derde is de kennis van de verbindende betekenis, die in het Perzisch wordt uitgedrukt met “هست” [“is”] bij bevestiging en “نیست” [“is niet”] bij ontkenning, en in het Hindi [Urdu] met “ہے” [“is”] en “نہیں” [“niet”]. Deze betekenis heet soms het oordeel en soms de oordeelsrelatie. Wie zich eigen heeft gemaakt wat we hebben onderwezen, moet dan weten dat de filosoof meent dat de instemming niets anders is dan het vatten van de verbindende betekenis, terwijl de imam meent dat de instemming het geheel is van de drie vormen van vatten: ik bedoel de voorstelling van datgene waarover geoordeeld wordt, de voorstelling van wat ervan geoordeeld wordt, en het vatten van de oordeelsrelatie, die het oordeel genoemd wordt.
Een is er in twee soorten. De ene is , dat wil zeggen: verkregen zonder nadenken en inspanning, zoals onze voorstelling van warmte en kou; ze heet ook noodzakelijk. De andere is , dat wil zeggen: ze heeft denken en nadenken nodig om verkregen te worden, zoals onze voorstelling van de djinn en de engelen; want voor zulke voorstellingen moeten we de moeite van het denken nemen en een nadenken ordenen. Ze heet ook verdiend. Ook de is er in twee soorten. De ene is onmiddellijk, dat wil zeggen: verkregen zonder denken en inspanning; de andere is verworven en heeft die nodig. Voorbeelden van de eerste zijn “Het geheel is groter dan het deel” en “Twee is de helft van vier”; voorbeelden van de tweede zijn “De wereld is ontstaan” en “De Maker bestaat”, en dergelijke.
Nu uit wat we gezegd hebben duidelijk is dat zaken in het algemeen – of – nadenken en denken nodig hebben, moet men weten wat nadenken betekent. Ik zeg dus: nadenken is in hun vaktaal het ordenen van bekende dingen, zodat die ordening leidt tot het verkrijgen van wat onbekend is. [Het is] zoals wanneer men de bekende dingen die men heeft – dat de wereld verandert en dat alles wat verandert, ontstaan is – ordent en zegt: “De wereld verandert, en alles wat verandert, is ontstaan.” Uit dit nadenken en deze ordening verkrijgt men kennis van een andere , die men eerder niet had, namelijk “De wereld is ontstaan.”
Pas op voor de gedachte dat elke ordening juist is en tot gezonde kennis leidt. Hoe zou dat kunnen? Als het zo was, zou er onder de mensen van het nadenken geen onenigheid en zijn; en die is er wel. De een zegt “De wereld is ontstaan” en voert als argument aan: “De wereld verandert, en alles wat verandert, is ontstaan; dus de wereld is ontstaan.” Een ander beweert dat de wereld eeuwig is, niet voorafgegaan door niet-bestaan, en bewijst dat met: “De wereld heeft niets nodig wat haar teweegbrengt, en alles wat zo is, is eeuwig.” Ik denk niet dat iemand eraan twijfelt dat een van deze twee gedachten gezond en waar is en de andere bedorven en fout. En omdat er fouten voorkomen in het denken van verstandige mensen, leren we hieruit dat de menselijke natuur niet volstaat om fout van juist te onderscheiden, of de schil van de kern. Zo ontstond de behoefte aan een regel die tegen fouten in het denken beschermt, en waarin de wegen worden uiteengezet om onbekende dingen uit bekende te verwerven. Die regel is de logica, ook de weegschaal genoemd. Ze heet logica [Arabisch manṭiq] vanwege haar invloed op het uiterlijke spreken [nuṭq], ik bedoel het praten: wie haar kent, kan spreken op een manier waartoe de onwetende niet in staat is. Evenzo [vanwege haar invloed] op het innerlijke spreken, ik bedoel het vatten: want de logicus kent de van de dingen, en kent hun geslachten, hun soortverschillen, hun soorten, wat vast bij hen hoort en hun , anders dan wie deze edele wetenschap verwaarloost. Ze heet de weegschaal omdat ze een balans is voor het verstand: daarmee worden gezonde gedachten gewogen, en daarmee herkent men wat ontbreekt aan bedorven gedachten en wat mank gaat aan waardeloze overwegingen. Daarom heet ze de hulpwetenschap, omdat ze een hulpmiddel is voor alle wetenschappen, vooral voor de filosofische wetenschappen.
· p. 5
Les 2 · De logica: grondlegger, definitie, onderwerp en doel
Weet dat de filosoof Aristoteles deze wetenschap op schrift heeft gesteld in opdracht van Alexander de Griek; daarom krijgt hij de titel “de Eerste Leraar”. Al-Fārābī heeft deze discipline verfijnd, en hij is de Tweede Leraar. Nadat de boeken van al-Fārābī verloren waren gegaan, heeft de Shaykh Abū ʿAlī ibn Sīnā haar uitvoerig uiteengezet.
Misschien is uit wat we bij de uitleg van de behoefte [aan logica] hebben voorgedragen al duidelijk geworden wat de en de definitie van de logica is: ze is een wetenschap van regels waarvan de naleving de geest beschermt tegen fouten in het denken.
Het onderwerp van elke wetenschap is datgene waarvan de erin onderzocht worden, zoals het menselijk lichaam voor de geneeskunde, en het woord en de zin voor de grammatica. Het onderwerp van de logica is dus het gekende, zowel wat tot de als wat tot de behoort; maar niet zonder meer: alleen voor zover het leidt tot het onbekende, van de voorstelling of van de instemming.
Weet dat elke wetenschap en elke kunst een doel heeft; anders zou het zoeken ernaar zinloos zijn en de inspanning ervoor ijdel. Het doel van de wetenschap van de weegschaal is juist denken en het inzicht behoeden voor fouten in het nadenken.
De logicus heeft als logicus niets te maken met het onderzoek van . Hoe zou hij, als dat onderzoek ver van zijn bedoeling en doel af ligt? Toch moeten de uitingen die betekenissen aanduiden onderzocht worden, want het overdragen van kennis aan anderen en het ontvangen ervan van anderen hangt daarvan af. Daarom komt de bespreking van de en van de uitingen voor in boeken over logica.
betekent in de taal: wegwijzen; in de vaktaal is het: dat iets zo gesteld is dat wie het kent, daardoor ook iets anders kent. Betekenisaanduiding is er in twee soorten: door een en zonder uiting. Bij betekenisaanduiding door een uiting is het aanduidende een uiting; bij betekenisaanduiding zonder uiting is het aanduidende geen uiting. Elk van beide is er in drie soorten [samen zes]. De eerste is betekenisaanduiding door een uiting volgens afspraak, zoals het woord “Zayd” dat aanduidt wie ermee genoemd wordt. De tweede is betekenisaanduiding door een uiting door de natuur, zoals het woord “uḥ” – met een u-klank op de hamza en een klinkerloze, ongestippelde ḥāʾ; sommigen zeggen: met een a-klank – dat pijn in de borst aanduidt: want de natuur dwingt ertoe dit geluid voort te brengen wanneer er pijn in de borst opkomt. De derde is betekenisaanduiding door een uiting door het verstand, zoals het woord “dayz”, gehoord van achter een muur, dat aanduidt dat er iemand is die het uitsprak. De vierde is betekenisaanduiding zonder uiting volgens afspraak, zoals de vier aanduiders [schrift, gebaren, vingerknopen en markeringen] die aanduiden wat ze aanduiden. De vijfde is betekenisaanduiding zonder uiting door de natuur, zoals het hinniken van een paard dat aanduidt dat het water en voer wil. De zesde is betekenisaanduiding zonder uiting door het verstand, zoals rook die vuur aanduidt. Dit zijn zes soorten betekenisaanduiding. De logicus onderzoekt alleen betekenisaanduiding door een uiting volgens afspraak, omdat alleen daardoor kennis gemakkelijk aan anderen kan worden overgedragen en van anderen kan worden ontvangen; anders dan bij de andere, want kennis overdragen en ontvangen via die andere gaat niet zonder moeite.
Men moet weten dat door een volgens afspraak – die in het gesprek van de wetenschappen telt – er in drie soorten is. De eerste is door : de uiting duidt het geheel aan van waarvoor ze is vastgesteld, zoals “mens” dat “dier” en “redelijk” samen aanduidt. De tweede is door : de uiting duidt een deel aan van de betekenis waarvoor ze is vastgesteld, zoals wanneer “mens” alleen “dier” of alleen “redelijk” aanduidt. De derde is betekenisaanduiding door : de uiting duidt niet aan waarvoor ze is vastgesteld, en ook geen deel daarvan, maar een betekenis daarbuiten die vast hoort bij waarvoor ze is vastgesteld. Wat er vast bij hoort, is datgene waarnaar de geest overgaat vanuit waarvoor [de uiting] is vastgesteld, zoals “mens” dat “kan kennis opdoen en het schrijven leren” aanduidt, en zoals het woord “blindheid” dat het zien aanduidt.
door en door komen niet voor zonder . Want het deel wordt niet voorgesteld zonder het geheel, en evenmin wat er vast bij hoort zonder datgene waar het bij hoort; en wat volgt, bestaat niet zonder wat het volgt. Overeenstemming kan echter wel voorkomen zonder die twee, omdat een kan zijn vastgesteld voor een ongedeelde betekenis die geen deel heeft en waar niets vast bij hoort. Als men zegt: we geven niet toe dat er een betekenis bestaat waar niets vast bij hoort, want bij elke betekenis hoort zeker iets vast, en op zijn minst dat ze “niet iets anders is dan zichzelf”; dan antwoorden we: met wat er vast bij hoort, wordt bedoeld wat er duidelijk vast bij hoort, waarnaar de geest overgaat vanuit datgene waar het bij hoort. Dat “niet iets anders dan zichzelf” hoort niet bij wat er duidelijk vast bij hoort; want we stellen ons vaak betekenissen voor zonder dat de betekenis van “ander” zelfs maar bij ons opkomt, laat staan dat ze “niet iets anders dan zichzelf” is.
Een aanduidende is ofwel ofwel samengesteld. Een enkelvoudige uiting is een uiting waarvan een deel niet bedoeld is om een deel van haar betekenis aan te duiden, zoals de vraag-hamza die haar betekenis aanduidt, “Zayd” dat aanduidt wie ermee genoemd wordt, en “ʿAbd Allāh” dat zijn betekenis als eigennaam aanduidt. Een is een uiting waarvan een deel bedoeld is om een deel van haar betekenis aan te duiden, zoals “Zayd staat” dat zijn betekenis aanduidt, en “werper van de pijl” dat aanduidt wat het overbrengt. Verder is de enkelvoudige uiting er in drie soorten. Want als haar betekenis zelfstandig begrepen wordt – dat wil zeggen: als er voor het begrijpen ervan niets bij gevoegd hoeft te worden –, dan is ze een naamwoord als die betekenis niet verbonden is met een van de drie tijden, en een kalima [het werkwoord van de logici] als ze daar wel mee verbonden is. Is haar betekenis niet zelfstandig, dan is ze een hulpwoord in het gebruik van de logici en een partikel in de vaktaal van de grammatici. Let hierop.
Weet dat sommigen gemeend hebben dat de kalima bij de logici hetzelfde is als wat in de grammatica het werkwoord heet. Die mening is niet juist, want het werkwoord is algemener dan de kalima. Men ziet immers dat een vorm als “aḍribu” (“ik sla”) of “naḍribu” (“wij slaan”) en dergelijke voor de grammatici een werkwoord is, maar voor de logici geen kalima. Want de kalima is een van de soorten , en “aḍribu” bijvoorbeeld is niet enkelvoudig maar samengesteld, omdat een deel van de een deel van de betekenis aanduidt: de hamza duidt de spreker aan, en “ḍaraba” de betekenis van de handeling.
De wordt soms op een andere manier ingedeeld: haar betekenis is ofwel één ofwel veel. Wat één betekenis heeft, is er in drie soorten, want die betekenis is ofwel bepaald en geïndividueerd, ofwel niet. De eerste heet een eigennaam, zoals “Zayd”, “dit” en “hij”; het is passender deze soort het echte begrip te noemen. De tweede, waarvan de ene betekenis niet geïndividueerd is maar veel individuen heeft, is er in twee soorten. Bij de eerste geldt die betekenis voor al haar individuen gelijkelijk, zonder verschil in voorrang, in grotere gepastheid, in grotere sterkte of in grotere hoeveelheid. Deze soort heet univook [letterlijk: ‘overeenstemmend’], omdat de individuen ervan overeenstemmen en samengaan in het gelden van die algemene betekenis voor hen, zoals “mens” ten opzichte van Zayd, ʿAmr en Bakr. Bij de tweede geldt die algemene betekenis niet gelijkelijk voor al haar individuen: voor sommige individuen geldt ze met voorrang, grotere sterkte of grotere gepastheid, en voor de andere met het tegendeel daarvan, zoals “bestaan” ten opzichte van het noodzakelijk Bestaande – verheven is Zijn glorie – en ten opzichte van het mogelijke, en zoals “witheid” ten opzichte van sneeuw en ivoor. Deze soort heet gegradeerd [letterlijk: ‘twijfel wekkend’], omdat ze wie haar beschouwt aan het twijfelen brengt of ze univook is of homoniem.
Een met veel betekenissen heeft meerdere soorten. De redenering achter de indeling is deze. Als een uiting met veel betekenissen voor elke betekenis van meet af aan is vastgesteld, door meerdere afzonderlijke vaststellingen, heet ze homoniem, zoals “ʿayn”, dat eens werd vastgesteld voor goud, eens voor het oog en eens voor de knie. Is ze niet voor elke betekenis van meet af aan vastgesteld, maar eerst voor één betekenis en daarna gebruikt voor een tweede betekenis vanwege een verwantschap tussen beide, dan heet ze overgedragen als ze in de tweede betekenis bekend werd en haar eerste betekenis werd verlaten. Naar wie haar overdroeg, wordt de overgedragen uiting in drie soorten verdeeld. De eerste is de overgedragen uiting van het spraakgebruik: de overdrager is het algemene spraakgebruik. De tweede is de wettelijk overgedragen uiting: de overdragers zijn de kenners van de Sharīʿa. De derde is de vaktechnisch overgedragen uiting: de overdrager is een bijzonder spraakgebruik, een bepaalde groep. Een voorbeeld van de eerste is het woord “dābba”: het was oorspronkelijk vastgesteld voor alles wat over de aarde kruipt [yadibbu], en daarna droegen de gewone mensen het over op het paard, of op viervoeters. Een voorbeeld van de tweede is het woord “ṣalāh”: het betekende oorspronkelijk smeekbede, en daarna droeg de Wetgever het over op de bepaalde reeks handelingen [van het gebed]. Een voorbeeld van de derde is het woord “ism” [naamwoord]: in de taal betekende het verhevenheid, en daarna droegen de grammatici het over op een woord dat zelfstandig aanduidt en niet verbonden is met een van de drie tijden. Werd ze in de tweede betekenis niet bekend en werd de eerste niet verlaten, maar wordt ze nu eens voor de eerste en dan weer voor de tweede betekenis gebruikt, dan heet ze letterlijk ten opzichte van de eerste en figuurlijk ten opzichte van de tweede. Een voorbeeld is “asad” (“leeuw”) ten opzichte van het roofdier en de dappere man: ten opzichte van het eerste is het letterlijk, en ten opzichte van het tweede figuurlijk.
المُرَكَّبُ قِسْمانِ: أَحَدُهُما المُرَكَّبُ التّامُّ، وَهُوَ ما يَصِحُّ السُّكُوتُ عَلَيْهِ، كَـ«زَيْدٌ قائِمٌ»؛ وَثانِيهِما المُرَكَّبُ النّاقِصُ، وَهُوَ ما لَيْسَ كَذٰلِكَ.
De is er in twee soorten. De ene is de volledige samengestelde uiting, waarna men terecht kan zwijgen, zoals “Zayd staat”; de andere is de onvolledige samengestelde uiting, die dat niet is.
De volledige is er in twee soorten. De ene heet een bericht en een : dat is wat bedoeld is als weergave [van hoe de dingen zijn], en kan waar of onwaar zijn, zodat men van wie haar uitspreekt kan zeggen dat hij de waarheid spreekt of onwaar spreekt, zoals in “De hemel is boven ons” en “De wereld is ontstaan.” Als men zegt: onze uitspraak “Er is geen god dan God” is een propositie en een bericht, en toch kan ze niet onwaar zijn; dan antwoord ik: de op zich kan [onwaar zijn], ook al kan ze, gezien de bijzondere aard van haar twee kanten, niet onwaar zijn. De tweede van de twee soorten heet niet-mededelend, en het niet-mededelende heeft meerdere soorten: gebod, verbod, wens, hoop, vraag en aanroeping.
De onvolledige is er in meerdere soorten. Daartoe behoren de bezittelijke samenstelling, zoals “de knecht van Zayd”; de beschrijvende samenstelling, zoals “de geleerde man”; en de beperkende samenstelling, zoals “in het huis”. Hiermee is de bespreking van de voltooid, en nu beginnen we aan de bespreking van de betekenissen.
· p. 14
Les 6 · Particulier begrip en universale, en de relaties tussen universalia
المَفْهُومُ، أَيْ ما حَصَلَ فِي الذِّهْنِ، قِسْمانِ: أَحَدُهُما جُزْئِيٌّ، وَالثّانِي كُلِّيٌّ. أَمّا الجُزْئِيُّ فَهُوَ ما يَمْنَعُ نَفْسُ تَصَوُّرِهِ عَنْ صِدْقِهِ عَلَى كَثِيرِينَ، كَـ«زَيْدٍ» وَ«عَمْرٍو» وَ«هٰذا الفَرَسِ» وَ«هٰذا الجِدارِ»؛ وَأَمّا الكُلِّيُّ فَهُوَ ما لا يَمْنَعُ نَفْسُ تَصَوُّرِهِ عَنْ وُقُوعِ الشَّرِكَةِ فِيهِ وَعَنْ صِدْقِهِ عَلَى كَثِيرِينَ، كَالإِنْسانِ وَالفَرَسِ. وَقَدْ يُفَسَّرُ الكُلِّيُّ وَالجُزْئِيُّ بِتَفْسِيرَيْنِ آخَرَيْنِ: أَمّا الكُلِّيُّ فَهُوَ ما جَوَّزَ العَقْلُ تَكَثُّرَهُ مِنْ حَيْثُ تَصَوُّرُهُ، وَأَمّا الجُزْئِيُّ فَهُوَ ما لا يَكُونُ كَذٰلِكَ.
Een begrip – dat wil zeggen: wat in de geest verkregen is – is er in twee soorten: het ene is , het andere universeel. Een is een begrip waarvan de op zich al verhindert dat het voor velen geldt, zoals “Zayd”, “ʿAmr”, “dit paard” en “deze muur”. Een is een begrip waarvan de voorstelling op zich niet verhindert dat het gedeeld wordt of voor velen geldt, zoals “mens” en “paard”. Het universale en het particuliere begrip worden soms op twee andere manieren uitgelegd: het universale is wat het verstand toestaat veelvoudig te zijn voor zover het wordt voorgesteld, en het particuliere begrip is wat niet zo is.
Het is er in meerdere soorten. De eerste is een universale waarvan de individuen niet in de buitenwereld kunnen bestaan, zoals “niet-ding”, “niet-mogelijk” en “niet-bestaand”. De tweede is een universale waarvan de individuen mogelijk zijn maar niet bestaan, zoals de ʿanqāʾ [een legendarische vogel] en een berg van robijn. De derde is een universale waarvan de individuen mogelijk zijn, maar waarvan slechts één individu bestaat, zoals de zon en het noodzakelijk Bestaande, verheven is Hij. De vierde is een universale waarvan veel individuen bestaan, ofwel eindig in aantal, zoals de planeten, die zeven zijn: de Zon, de Maan, Mars, Venus, Saturnus, Mercurius en Jupiter; ofwel oneindig, zoals de individuen van mens, paard, schaap en rund.
Tegen de definities van het universale en het begrip is een bezwaar ingebracht, dat zo luidt. De vorm die voortkomt uit een bepaald ei, de gestalte die men van ver ziet, en wat een zuigeling bij het begin van zijn geboorte met de zintuigen waarneemt, zijn allemaal particuliere begrippen; en toch geldt de definitie van het universale voor hen, omdat het bij deze vormen niet onmogelijk is te veronderstellen dat ze voor velen gelden. Het antwoord is dat met het gelden van een begrip [voor velen] in de definitie van het universale bedoeld wordt: voor hen tegelijk gelden. Deze vormen – ik bedoel de vorm van het bepaalde ei en de andere – gelden alleen afwisselend voor velen, niet samen. Want eenheid wordt in deze vormen meegenomen, omdat ze noodzakelijk ontleend zijn aan een bepaalde, particuliere materie; werd eenheid daarin niet in aanmerking genomen, dan zouden ze universeel zijn zonder dat er een moeilijkheid uit volgt. Let hierop.
Weet dat de relatie tussen twee op vier manieren kan worden voorgesteld. Want neemt men twee universalia, dan geldt ofwel elk van beide voor alles waarvoor het andere geldt, en dan hebben ze een gelijk bereik, zoals mens en redelijk, omdat elke mens redelijk is en elk redelijk wezen een mens; ofwel geldt het ene voor alles waarvoor het andere geldt, terwijl het andere niet voor alle individuen van het eerste geldt, en dan omvat het ene het andere, zoals dier en mens: dier geldt voor alles waarvoor mens geldt, maar mens geldt niet voor alles waarvoor dier geldt, alleen voor een deel ervan; ofwel geldt geen van beide voor iets waarvoor het andere geldt, en dan zijn ze volledig gescheiden, zoals mens en paard; ofwel geldt een deel van elk van beide voor een deel van waarvoor het andere geldt, en dan is er gedeeltelijke overlap, zoals wit en dier: bij de eend gelden ze allebei, bij de olifant geldt alleen dier, en bij sneeuw en ivoor geldt alleen wit. Dit zijn dus : gelijk bereik, volledig gescheiden, het ene omvat het andere, en gedeeltelijke overlap. Onthoud dit goed.
“” wordt soms in een andere betekenis gebruikt: wat specifieker is en onder iets algemeners valt. Volgens deze definitie is mens een , omdat het onder dier valt; en zo ook dier, omdat het onder groeiend lichaam valt; en zo ook groeiend lichaam, omdat het onder lichaam zonder meer valt; en zo ook lichaam zonder meer, omdat het onder substantie valt. De relatie tussen het echte particuliere begrip en dit particuliere begrip, dat het relatieve particuliere begrip heet, is dat het ene het andere omvat: ze vallen bijvoorbeeld samen in Zayd, en het relatieve geldt zonder het echte bij mens; want mens is een relatief particulier begrip en geen echt particulier begrip, omdat het niet onmogelijk is dat het voor velen geldt.
De zijn vijf. Het eerste [is het ]: een universale dat gezegd wordt van veel dingen die verschillen in hun , als antwoord op de vraag “wat is het?”, zoals dier. Het wordt gezegd van mens, paard en schaap wanneer men daarnaar vraagt met “wat is het?”: men zegt “Mens en paard, wat zijn ze?”, en het antwoord is: dier.
Het tweede is de soort: een dat gezegd wordt van veel dingen die overeenkomen in hun , als antwoord op de vraag “wat is het?”. De soort heeft ook nog een andere betekenis, en heet in die betekenis de relatieve soort: een wezen waarvan, en van iets anders, het gezegd wordt als antwoord op de vraag “wat is het?”. Tussen de echte soort en de relatieve soort is er gedeeltelijke overlap: ze gelden allebei voor mens; de echte geldt zonder de relatieve bij het punt; en de relatieve geldt zonder de echte bij dier.
Een is ofwel het laagste: een geslacht dat geen geslacht onder zich heeft maar wel een geslacht boven zich, en onder zich alleen een soort, zoals dier; want daaronder valt mens, en dat is een soort, en daarboven staat groeiend lichaam, en dat is een geslacht; dier is dus een laagste geslacht. Ofwel is het een middelste: een geslacht dat een geslacht onder zich heeft en ook een geslacht boven zich, zoals groeiend lichaam; want daaronder valt dier en daarboven staat lichaam zonder meer. Ofwel is het het hoogste: een geslacht dat geen geslacht boven zich heeft; het heet ook het geslacht der geslachten, zoals substantie; want daarboven staat geen geslacht, en daaronder vallen lichaam zonder meer, groeiend lichaam en dier.
De hoogste geslachten zijn tien, en er is niets in de wereld wat buiten deze geslachten valt. Deze hoogste geslachten heten ook de tien categorieën. Een daarvan is substantie, en de overige negen categorieën horen bij het accident. Substantie is wat niet bestaat in een – dat wil zeggen: een drager –, maar op zichzelf bestaat, zoals lichamen; en een accident is wat in een subject, dat wil zeggen: een drager, bestaat. De categorieën zijn: hoeveelheid, hoedanigheid, relatie, plaats, bezit, handelen, ondergaan, tijd en ligging. Dit Perzische vers vat ze samen:
“مردی دراز نیکو دیدم بشهر امروز * با خواسته نشسته از کردِ خویش فیروز” [“Vandaag zag ik in de stad een lange, knappe man, zittend bij zijn rijkdom, zegevierend door zijn eigen daden”]
Weet dat soorten soms in dalende volgorde gerangschikt zijn. Een soort kan een soort onder zich hebben en geen soort boven zich: dat is de hoogste soort. Ze kan een soort onder zich hebben en een soort boven zich: dat is de middelste soort. Of ze kan geen soort onder zich hebben en wel een soort boven zich: dat is de laagste soort, die ook de soort der soorten heet.
· p. 18
Les 8 · Soortverschil, eigenschap, algemeen accident
Het derde is het : een dat van iets gezegd wordt als antwoord op de vraag “welk ding is het in zijn wezen?”, zoals wanneer gevraagd wordt: “De mens: door welk ding is hij [onderscheiden] in zijn wezen?”, en het antwoord is dat hij redelijk is. Het is er in twee soorten, naast en ver. Het naaste onderscheidt [iets] van wat zijn naaste deelt, en het verre onderscheidt [het] van wat zijn verre geslacht deelt. Het eerste is zoals redelijk bij de mens, en het tweede zoals waarnemend bij hem. Het soortverschil heeft een relatie tot de soort, waarin het constitutief heet, omdat het deel uitmaakt van de opbouw en de van de soort; en een relatie tot het geslacht, waarin het verdelend heet, omdat het het geslacht verdeelt en er een deel van doet ontstaan. Neem redelijk: het is constitutief voor mens, omdat de mens het redelijke dier is; en het is verdelend voor dier, omdat dier door redelijk twee delen krijgt: het ene is het redelijke dier en het andere het niet-redelijke dier.
Wat constitutief is voor het hogere, is constitutief voor het lagere. Neem “ontvankelijk voor afmetingen”: dat is constitutief voor lichaam, en dus is het constitutief voor groeiend lichaam, dier en mens. Of neem groeiend: zoals dat constitutief is voor groeiend lichaam, is het ook constitutief voor dier en voor mens. Of neem waarnemend en bewegend uit eigen wil: zoals die constitutief zijn voor dier, zo zijn ze constitutief voor mens. Maar niet alles wat constitutief is voor het lagere, is constitutief voor het hogere: redelijk is constitutief voor mens, maar niet constitutief voor dier.
Elk dat verdelend is voor het lagere, is verdelend voor het hogere: zoals redelijk dier verdeelt in redelijk en niet-redelijk, zo verdeelt het ook lichaam zonder meer in die twee. Maar niet alles wat verdelend is voor het hogere, is verdelend voor het lagere: waarnemend bijvoorbeeld verdeelt groeiend lichaam in het waarnemende en het niet-waarnemende groeiende lichaam, maar het verdeelt dier niet in die twee; want elk dier is waarnemend, en er bestaat geen niet-waarnemend dier.
Het vierde is de : een universale dat buiten de van de individuen ligt en gezegd wordt van individuen die onder één werkelijkheid alleen vallen, zoals lachend bij de mens, en schrijvend bij hem.
Het vijfde van de is het : het universale dat [buiten de ] ligt en gezegd wordt van de individuen van één werkelijkheid en ook van andere, zoals lopend, dat gezegd wordt van de individuen van mens en van paard.
Nu uit wat we gezegd hebben gebleken is dat de vijf zijn – het eerste het , het tweede de soort, het derde het , het vierde de en het vijfde het –, moet men weten dat de eerste drie de universalia heten en de laatste twee de . De naam “essentieel” wordt soms beperkt tot alleen het geslacht en het soortverschil, en in dat gebruik wordt het woord “essentieel” niet op de soort toegepast.
Het – ik bedoel de en het – wordt verdeeld in onscheidbaar en scheidbaar. Het onscheidbare is wat niet los kan van het ding. Dat is ofwel met het oog op het wezen, zoals even-zijn bij vier en oneven-zijn bij drie; want het is onmogelijk dat even-zijn loskomt van vier en oneven-zijn van drie. Ofwel met het oog op het bestaan, zoals zwartheid bij de Abessijn; want het is onmogelijk dat zwartheid loskomt van het bestaan van de Abessijn, maar niet van zijn wezen, omdat zijn wezen mens is, en het is duidelijk dat zwartheid niet onscheidbaar is van de mens. Het is datgene waarvan het loskomen van datgene waar het bij hoort niet onmogelijk is, zoals daadwerkelijk schrijven bij een mens, en daadwerkelijk lopen bij hem.
Het is er in twee soorten. De eerste is een accident waarvan de volgt uit de voorstelling van datgene waar het bij hoort, zoals het zien bij blindheid. De tweede is een accident waarbij de voorstelling van datgene waar het bij hoort en de voorstelling van het onscheidbare [accident] zelf zekerheid over hun onscheidbaarheid meebrengen, zoals even-zijn bij vier: wie zich vier voorstelt en zich het begrip even-zijn voorstelt, is er zeker van dat vier even is en deelbaar in twee gelijke delen.
Het – ik bedoel wat kan loskomen van datgene waaraan het toekomt – is er ook in twee soorten. Het ene is een accident dat blijvend toekomt aan datgene waar het bij hoort, zoals beweging bij de hemelsfeer. Het tweede is een accident dat ervan verdwijnt, ofwel snel, zoals het rood van schaamte en de bleekheid van angst, ofwel langzaam, zoals grijs haar en jeugd.
Wat iets definieert, is wat ervan gezegd wordt om er een van te geven. Het is er in vier soorten: de volledige , de onvolledige essentiële definitie, de volledige en de onvolledige beschrijvende definitie. Gebeurt de definitie met het naaste en het naaste , dan heet ze een volledige essentiële definitie, zoals de definitie van de mens als redelijk dier. Gebeurt ze met het verre geslacht en het naaste soortverschil, of met dat soortverschil alleen, dan heet ze een onvolledige essentiële definitie. Gebeurt ze met het naaste geslacht en de , dan heet ze een volledige beschrijvende definitie. Gebeurt ze met het verre geslacht en de eigenschap, of met de eigenschap alleen, dan heet ze een onvolledige beschrijvende definitie. Een voorbeeld van de onvolledige essentiële definitie is de mens definiëren als redelijk lichaam, of alleen als redelijk; van de volledige beschrijvende definitie: de mens definiëren als lachend dier; en van de onvolledige beschrijvende definitie: hem definiëren als lachend lichaam, of alleen als lachend. Het heeft geen plaats in definities, omdat het geen onderscheid geeft.
Een definitie is soms echt, zoals we beschreven hebben, en soms woordelijk: een definitie die bedoeld is om uit te leggen wat een woord aanduidt, zoals wanneer men zegt: “Saʿdāna is een plant” en “Ghaḍanfar is de leeuw”. Hiermee zijn de besprekingen van de – ik bedoel van de – voltooid.
· p. 22
II
Tweede deel: het argument (al-bāb al-thānī fī al-ḥujja)
البابُ الثّانِي فِي الحُجَّةِ
Les 10 · De propositie: soorten, delen en hoeveelheid
القَضِيَّةُ قَوْلٌ يَحْتَمِلُ الصِّدْقَ وَالكَذِبَ، وَقِيلَ: هُوَ قَوْلٌ يُقالُ لِقائِلِهِ إِنَّهُ صادِقٌ فِيهِ أَوْ كاذِبٌ. وَهِيَ قِسْمانِ: حَمْلِيَّةٌ وَشَرْطِيَّةٌ؛ أَمّا الحَمْلِيَّةُ فَهُوَ ما حُكِمَ فِيها بِثُبُوتِ شَيْءٍ لِشَيْءٍ أَوْ نَفْيِهِ عَنْهُ، كَقَوْلِكَ: «زَيْدٌ قائِمٌ» وَ«زَيْدٌ لَيْسَ بِقائِمٍ»؛ وَأَمّا الشَّرْطِيَّةُ فَما لا يَكُونُ فِيهِ ذٰلِكَ الحُكْمُ، وَقِيلَ: الشَّرْطِيَّةُ ما يَنْحَلُّ إِلَى قَضِيَّتَيْنِ، كَقَوْلِنا: «إِنْ كانَتِ الشَّمْسُ طالِعَةً فَالنَّهارُ مَوْجُودٌ» وَ«لَيْسَ البَتَّةَ إِذا كانَتِ الشَّمْسُ طالِعَةً فَاللَّيْلُ مَوْجُودٌ»؛ فَإِذا حُذِفَ الأَدَواتُ بَقِيَ «الشَّمْسُ طالِعَةٌ» والنَّهارُ مَوْجُودٌ. والحَمْلِيَّةُ لا يَنْحَلُّ إلى قَضِيَّتَيْنِ، بل يَنْحَلُّ إمّا إلى مُفْرَدَيْنِ كقَوْلِكَ: «زَيْدٌ هو قائِمٌ»، فإنّكَ إذا حَذَفْتَ الرّابِطَةَ أعني «هو» بَقِيَ «زَيْدٌ» و«قائِمٌ» وهما مُفْرَدانِ؛ وإمّا إلى مُفْرَدٍ وقَضِيَّةٍ كما في قَوْلِكَ: «زَيْدٌ أبُوهُ قائِمٌ»، فإذا حَلَّلْتَهُ بَقِيَ «زَيْدٌ» وهو مُفْرَدٌ، و«أبُوهُ قائِمٌ» وهو قَضِيَّةٌ.
Een is een uitspraak die waar of onwaar kan zijn. Men heeft ook gezegd: het is een uitspraak waarvan men van de spreker zegt dat hij daarin de waarheid spreekt of liegt. Ze is er in twee soorten: en voorwaardelijk. De categorische is een propositie waarin geoordeeld wordt dat het ene ding aan het andere toekomt, of ervan ontkend wordt, zoals wanneer men zegt “Zayd staat” en “Zayd staat niet”. De voorwaardelijke is een propositie waarin zo'n oordeel niet zit. Men heeft ook gezegd: de voorwaardelijke is wat uiteenvalt in twee proposities, zoals wanneer we zeggen: “Als de zon is opgekomen, is het dag” en “Het is nooit zo dat, wanneer de zon is opgekomen, het nacht is”: neemt men de partikels weg, dan blijven “de zon is opgekomen” en “het is dag” over. De categorische valt niet uiteen in twee proposities. Ze valt ofwel uiteen in twee [termen], zoals wanneer men zegt “Zayd is staande” (Zayd huwa qāʾim): neemt men het koppelwoord weg – ik bedoel “is” (huwa) –, dan blijven “Zayd” en “staande” over, en dat zijn twee enkelvoudige [termen]; ofwel in een enkelvoudige [term] en een propositie, zoals wanneer men zegt: “Zayd, zijn vader staat”: ontleedt men dat, dan blijven “Zayd” over, dat enkelvoudig is, en “zijn vader staat”, dat een propositie is.
الحَمْلِيَّةُ ضَرْبانِ: مُوجَبَةٌ وهي الّتي حُكِمَ فيها بثُبُوتِ شَيْءٍ لشَيْءٍ، وسالِبَةٌ وهي حُكِمَ فيها بنَفْيِ شَيْءٍ عن شَيْءٍ، نحوُ: «الإنْسانُ حَيَوانٌ» و«الإنْسانُ لَيْسَ بفَرَسٍ».
De is er in twee soorten: bevestigend, waarin geoordeeld wordt dat het ene ding aan het andere toekomt, en ontkennend, waarin geoordeeld wordt dat het ene ding van het andere ontkend wordt, zoals in “De mens is een dier” en “De mens is geen paard”.
De bestaat uit drie delen. Het eerste is datgene waarover geoordeeld wordt, en dat heet het ; het tweede is wat ervan geoordeeld wordt, en dat heet het ; en het derde is wat de verbinding aanduidt, en dat heet het koppelwoord. Dus in “Zayd is staande” (Zayd huwa qāʾim) is “Zayd” datgene waarover geoordeeld wordt en het subject, “staande” is wat ervan geoordeeld wordt en het predicaat, en het woord “is” (huwa, letterlijk “hij”) is de relatie en het koppelwoord. Het koppelwoord wordt soms weggelaten in de formulering, maar niet in wat bedoeld wordt, en dan zegt men “Zayd staande” (Zayd qāʾim).
Ook de heeft delen. Haar eerste deel heet het en haar tweede deel het . Dus in “Als de zon is opgekomen, is het dag” zijn de woorden “Als de zon is opgekomen” het antecedent, de woorden “is het dag” het consequent, en het koppelwoord is het oordeel tussen die twee.
وقد تَنْقَسِمُ القَضِيَّةُ باعْتِبارِ المَوْضُوعِ: فالمَوْضُوعُ إنْ كانَ جُزْئِيًّا وشَخْصًا مُعَيَّنًا سُمِّيَتِ القَضِيَّةُ شَخْصِيَّةً ومَخْصُوصَةً كقَوْلِكَ: «زَيْدٌ قائِمٌ». وإنْ لم يَكُنْ جُزْئِيًّا بل كانَ كُلِّيًّا فهو على أنْحاءٍ؛ لأنّها إنْ كانَ الحُكْمُ فيها على نَفْسِ الحَقِيقَةِ تُسَمّى القَضِيَّةُ طَبْعِيَّةً نحوُ: «الإنْسانُ نَوْعٌ» و«الحَيَوانُ جِنْسٌ»، وإنْ كانَ على أفْرادِها فلا يَخْلُو إمّا أنْ يَكُونَ كَمِّيَّةُ الأفْرادِ فيها مُبَيَّنًا أو لم يَكُنْ، فإنْ بُيِّنَ كَمِّيَّةُ الأفْرادِ تُسَمّى القَضِيَّةُ مَحْصُورَةً كقَوْلِكَ: «كُلُّ إنْسانٍ حَيَوانٌ» و«بَعْضُ الحَيَوانِ إنْسانٌ»، وإنْ لم يُبَيَّنْ تُسَمّى القَضِيَّةُ مُهْمَلَةً نحوُ: «الإنْسانُ في خُسْرٍ».
Een wordt ook ingedeeld met het oog op het . Is het subject een , een bepaald individu, dan heet de propositie of specifiek, zoals wanneer men zegt “Zayd staat”. Is het geen particulier begrip maar een , dan zijn er meerdere gevallen. Gaat het oordeel erin over de zelf, dan heet de propositie natuurlijk, zoals in “De mens is een soort” en “Het dier is een ”. Gaat het over haar individuen, dan wordt de hoeveelheid van de individuen erin ofwel vermeld ofwel niet. Wordt de hoeveelheid van de individuen vermeld, dan heet de propositie gekwantificeerd, zoals wanneer men zegt “Elke mens is een dier” en “Sommige dieren zijn mensen”. Wordt ze niet vermeld, dan heet de propositie , zoals in “De mens is in verlies” [Koran 103:2].
De zijn vier. De eerste is de algemeen bevestigende, zoals wanneer men zegt “Elke mens is een dier”; de tweede de bevestigende, zoals in “Sommige dieren zijn zwart”; de derde de algemeen ontkennende, zoals in “Geen Zanjī [zwarte Afrikaan] is wit”; en de vierde de particulier ontkennende, zoals in “Niet elke mens is zwart”.
Datgene waarmee de hoeveelheid van de individuen vermeld wordt – alle of sommige – heet de . Het [Arabische] woord ervoor, sūr, is ontleend aan de sūr, de muur, van een stad. De kwantor van de algemeen bevestigende is “elk” (kull) en de lām die alles omvat [het lidwoord al- in de betekenis ‘alle’]. Die van de bevestigende is “sommige” (baʿḍ) en “een” (wāḥid), zoals in “Een van de lichamen is levenloos”. Die van de algemeen ontkennende is “geen” (lā shayʾ) en “geen enkel” (lā wāḥid), zoals in “Geen kraai is wit” en “Geen enkel vuur is koud”, en ook een naamwoord dat onder een ontkenning valt, zoals in “Er is geen water of het is nat”. Die van de particulier ontkennende is “niet sommige” (laysa baʿḍ), zoals wanneer men zegt “Niet sommige dieren zijn ezels” [dat wil zeggen: sommige dieren zijn geen ezels], en “sommige … niet” (baʿḍ … laysa), zoals men zegt “Sommige vruchten zijn niet zoet”. Weet dat elke taal haar eigen kwantoren heeft. In het Perzisch is het woord “هر” [“elk”] de kwantor van de algemeen bevestigende, zoals de dichter zegt in een vers: “هر آنکس که در بند حرص اوفتاد * دهد خرمن زندگانی بباد” [“Wie in de boeien van de hebzucht valt, geeft de oogst van zijn leven aan de wind”].
· p. 24
Les 11 · Toekenning, verdere indelingen en modale proposities
قد جَرَتْ عادَةُ المِيزانِيِّينَ أنّهم يُعَبِّرُونَ عنِ المَوْضُوعِ بـ«ج» وعنِ المَحْمُولِ بـ«ب»، فمَتى أرادُوا التَّعْبِيرَ عنِ المُوجَبَةِ الكُلِّيَّةِ يَقُولُونَ: «كُلُّ ج ب»، ومَقْصُودُهم مِن ذلك الإيجازُ ودَفْعُ تَوَهُّمِ الانْحِصارِ.
De logici hebben de gewoonte het uit te drukken met J en het met B. Willen ze dus de algemeen bevestigende uitdrukken, dan zeggen ze “Elke J is B”. Hun bedoeling daarmee is beknoptheid, en voorkomen dat de indruk ontstaat dat [de regel] beperkt is [tot één bepaalde inhoud].
الحَمْلُ في اصْطِلاحِهِمُ اتِّحادُ المُتَغايِرَيْنِ في المَفْهُومِ بحَسَبِ الوُجُودِ؛ فَفي قَوْلِكَ: «زَيْدٌ كاتِبٌ» و«عَمْرٌو شاعِرٌ» مَفْهُومُ «زَيْدٍ» مُغايِرٌ لمَفْهُومِ «كاتِبٍ» لكنّهما مَوْجُودانِ بوُجُودٍ واحِدٍ، وكذا مَفْهُومُ «عَمْرٍو» و«شاعِرٍ» مُتَغايِرانِ وقَدِ اتَّحَدا في الوُجُودِ. ثُمَّ الحَمْلُ على قِسْمَيْنِ؛ لأنّه إنْ كانَ بواسِطَةِ «في» أو «ذُو» أوِ اللّامِ كما في قَوْلِكَ: «زَيْدٌ في الدّارِ» و«المالُ لِزَيْدٍ» و«خالِدٌ ذُو مالٍ» يُسَمّى الحَمْلَ بالاشْتِقاقِ، وإنْ لم يَكُنْ كذلك بل يُحْمَلُ شَيْءٌ على شَيْءٍ بلا واسِطَةِ هذه الوَسائِطِ يُقالُ لَهُ: الحَمْلُ بالمُواطاةِ، نحوُ: «عَمْرٌو طَبِيبٌ» و«بَكْرٌ فَصِيحٌ».
Predicatie – iets van iets zeggen – is in hun vaktaal: het één zijn in het bestaan van twee dingen die in begrip verschillen. Dus in “Zayd is een schrijver” en “ʿAmr is een dichter” verschilt het begrip “Zayd” van het begrip “schrijver”, maar die twee bestaan door één bestaan; evenzo verschillen de begrippen “ʿAmr” en “dichter”, en toch zijn ze één in het bestaan. Verder is predicatie er in twee soorten. Gebeurt ze door middel van “in” (fī), “bezitter van” (dhū) of de lām [“van, behorend aan”], zoals wanneer men zegt “Zayd is in het huis”, “Het geld is van Zayd” en “Khālid is bezitter van geld”, dan heet ze predicatie door afleiding. Is dat niet zo, maar wordt het ene ding van het andere gezegd zonder deze tussenschakels, dan heet ze predicatie door overeenkomst, zoals in “ʿAmr is een arts” en “Bakr is welsprekend”.
تَقْسِيمٌ آخَرُ لِلْحَمْلِيَّةِ: مَوْضُوعُ الحَمْلِيَّةِ إنْ كانَ مَوْجُودًا في الخارِجِ وكانَ الحُكْمُ فيها باعْتِبارِ تَحَقُّقِ المَوْضُوعِ ووُجُودِهِ في الخارِجِ كانَتِ القَضِيَّةُ خارِجِيَّةً، نحوُ: «الإنْسانُ كاتِبٌ»، وإنْ كانَ مَوْجُودًا في الذِّهْنِ وكانَ الحُكْمُ باعْتِبارِ خُصُوصِ وُجُودِهِ في الذِّهْنِ كانَتْ ذِهْنِيَّةً، نحوُ: «الإنْسانُ كُلِّيٌّ»، وإنْ كانَ الحُكْمُ باعْتِبارِ تَقَرُّرِهِ في الواقِعِ مَعَ عَزْلِ النَّظَرِ عن خُصُوصِيَّةِ ظَرْفِ الخارِجِ أوِ الذِّهْنِ سُمِّيَتِ القَضِيَّةُ حَقِيقِيَّةً، نحوُ: «الأرْبَعَةُ زَوْجٌ» و«السِّتَّةُ ضِعْفُ الثَّلاثَةِ».
Nog een indeling van de . Bestaat het van de categorische propositie in de buitenwereld, en wordt het oordeel erin geveld met het oog op het verwerkelijkt zijn en het bestaan van het subject in de buitenwereld, dan is de extern, zoals in “De mens is een schrijver”. Bestaat het in de geest, en wordt het oordeel geveld met het oog op specifiek zijn bestaan in de geest, dan is ze mentaal, zoals in “De mens is een ”. Wordt het oordeel geveld met het oog op het vaststaan ervan in de , los van de bijzondere plaats – de buitenwereld of de geest –, dan heet de propositie reëel, zoals in “Vier is even” en “Zes is het dubbele van drie”.
القَضِيَّةُ المُوجَبَةُ وكذا السّالِبَةُ تَنْقَسِمانِ إلى مَعْدُولَةٍ وغَيْرِ مَعْدُولَةٍ؛ فالمَعْدُولَةُ ما يَكُونُ فيه حَرْفُ السَّلْبِ جُزْءًا مِنَ المَوْضُوعِ أو مِنَ المَحْمُولِ أو كِلَيْهِما. مِثالُ الأوَّلِ قَوْلُنا: «اللّاحَيُّ جَمادٌ»، مِثالُ الثّاني: «زَيْدٌ لا عالِمٌ»، مِثالُ الثّالِثِ: «اللّاحَيُّ لا عالِمٌ»؛ هذا في الإيجابِ. أمّا في السَّلْبِ فمِثالُ الأوَّلِ: «اللّاحَيُّ لَيْسَ بعالِمٍ»، ومِثالُ الثّاني: «العالِمُ لَيْسَ بلا حَيٍّ»، ومِثالُ الثّالِثِ: «اللّاحَيُّ لَيْسَ بلا جَمادٍ». وغَيْرُ المَعْدُولَةِ بخِلافِها، ويُسَمّى غَيْرُ المَعْدُولَةِ في المُوجَبَةِ بالمُحَصَّلَةِ، وفي السّالِبَةِ بالبَسِيطَةِ.
De bevestigende , en evenzo de ontkennende, wordt verdeeld in metathetisch [met een ontkend begrip als term] en niet-metathetisch. De metathetische is een propositie waarin het ontkenningspartikel een deel is van het , of van het , of van beide. Een voorbeeld van het eerste is onze uitspraak “Het niet-levende is levenloos”; van het tweede: “Zayd is niet-geleerd”; van het derde: “Het niet-levende is niet-geleerd”. Dat is bij de bevestiging. Bij de ontkenning is een voorbeeld van het eerste: “Het niet-levende is niet geleerd”; van het tweede: “De geleerde is niet niet-levend”; en van het derde: “Het niet-levende is niet niet-levenloos”. De niet-metathetische is het tegendeel hiervan. De niet-metathetische heet bij de bevestigende positief, en bij de ontkennende eenvoudig.
وقد يُذْكَرُ الجِهَةُ في القَضِيَّةِ فيُسَمّى مُوَجَّهَةً ورُباعِيَّةً أيْضًا. والمُوَجَّهاتُ خَمْسَةَ عَشَرَ: ثَمانِيَةٌ مِنْها بَسِيطَةٌ، وسَبْعَةٌ مِنْها مُرَكَّبَةٌ. أمّا البَسائِطُ فأحَدُها الضَّرُورِيَّةُ المُطْلَقَةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بضَرُورَةِ ثُبُوتِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو سَلْبِهِ عنه ما دامَ ذاتُ المَوْضُوعِ مَوْجُودَةً، كقَوْلِكَ: «الإنْسانُ حَيَوانٌ بالضَّرُورَةِ» و«لَيْسَ بحَجَرٍ بالضَّرُورَةِ». والثّانِيَةُ الدّائِمَةُ المُطْلَقَةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بدَوامِ ثُبُوتِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو سَلْبِهِ عنه، كقَوْلِكَ: «كُلُّ فَلَكٍ مُتَحَرِّكٌ بالدَّوامِ» و«لا شَيْءَ مِنَ الفَلَكِ بساكِنٍ بالدَّوامِ». والثّالِثَةُ المَشْرُوطَةُ العامَّةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بضَرُورَةِ ثُبُوتِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو نَفْيِهِ عنه ما دامَ ذاتُ المَوْضُوعِ مَوْصُوفًا بالوَصْفِ العُنْوانِيِّ، والوَصْفُ العُنْوانِيُّ عِنْدَهم ما عُبِّرَ بِهِ عنِ المَوْضُوعِ، كقَوْلِنا: «كُلُّ كاتِبٍ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ بالضَّرُورَةِ ما دامَ كاتِبًا» و«لا شَيْءَ مِنَ الكاتِبِ بساكِنِ الأصابِعِ بالضَّرُورَةِ ما دامَ كاتِبًا». والرّابِعَةُ العُرْفِيَّةُ العامَّةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بدَوامِ ثُبُوتِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو سَلْبِهِ عنه ما دامَ ذاتُ المَوْضُوعِ مُتَّصِفًا بالوَصْفِ العُنْوانِيِّ، كقَوْلِنا: «بالدَّوامِ كُلُّ كاتِبٍ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا» و«بالدَّوامِ لا شَيْءَ مِنَ النّائِمِ بمُسْتَيْقِظٍ ما دامَ نائِمًا». والخامِسَةُ الوَقْتِيَّةُ المُطْلَقَةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بضَرُورَةِ ثُبُوتِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو نَفْيِهِ عنه في وَقْتٍ مُعَيَّنٍ مِن أوْقاتِ الذّاتِ، كما تَقُولُ: «كُلُّ قَمَرٍ مُنْخَسِفٌ بالضَّرُورَةِ وَقْتَ حَيْلُولَةِ الأرْضِ بَيْنَهُ وبَيْنَ الشَّمْسِ» و«لا شَيْءَ مِنَ القَمَرِ بمُنْخَسِفٍ بالضَّرُورَةِ وَقْتَ التَّرْبِيعِ». والسّادِسَةُ المُنْتَشِرَةُ المُطْلَقَةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بضَرُورَةِ ثُبُوتِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو نَفْيِهِ عنه في وَقْتٍ غَيْرِ مُعَيَّنٍ مِن أوْقاتِ الذّاتِ، نحوُ: «كُلُّ حَيَوانٍ مُتَنَفِّسٌ بالضَّرُورَةِ وَقْتًا ما» و «لا شَيْءَ مِنَ الحَجَرِ بمُتَنَفِّسٍ بالضَّرُورَةِ». والسّابِعَةُ المُطْلَقَةُ العامَّةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بوُجُودِ المَحْمُولِ لِلْمَوْضُوعِ أو سَلْبِهِ عنه، أي في أحَدِ الأزْمِنَةِ الثَّلاثَةِ، كقَوْلِكَ: «كُلُّ إنْسانٍ ضاحِكٌ بالفِعْلِ» و«لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بضاحِكٍ». والثّامِنَةُ المُمْكِنَةُ العامَّةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بسَلْبِ ضَرُورَةِ الجانِبِ المُخالِفِ، كقَوْلِكَ: «كُلُّ نارٍ حارَّةٌ بالإمْكانِ العامِّ» و«لا شَيْءَ مِنَ النّارِ ببارِدٍ بالإمْكانِ العامِّ».
Soms wordt in een de modaliteit vermeld; dan heet ze modaal, en ook vierledig. Er zijn vijftien modale proposities: acht en zeven samengestelde. Van de enkelvoudige is de eerste de absolute noodzakelijke: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het toekomen van het aan het , of de ontkenning ervan, noodzakelijk is zolang het wezen van het subject bestaat, zoals in “De mens is een dier, noodzakelijk” en “[De mens] is geen steen, noodzakelijk”. De tweede is de absolute bestendige: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het toekomen van het predicaat aan het subject, of de ontkenning ervan, bestendig is, zoals in “Elke hemelsfeer beweegt, altijd” en “Geen hemelsfeer staat stil, altijd”. De derde is de algemene conditionele: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het toekomen van het predicaat aan het subject, of de ontkenning ervan, noodzakelijk is zolang het wezen van het subject gekenmerkt wordt door de titelbeschrijving. De titelbeschrijving is bij hen datgene waarmee het subject uitgedrukt wordt. [Voorbeelden zijn] onze uitspraken “Elke schrijver beweegt zijn vingers, noodzakelijk, zolang hij schrijft” en “Geen schrijver heeft stilstaande vingers, noodzakelijk, zolang hij schrijft”. De vierde is de algemene conventionele: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het toekomen van het predicaat aan het subject, of de ontkenning ervan, bestendig is zolang het wezen van het subject de titelbeschrijving heeft, zoals in onze uitspraken “Altijd: elke schrijver beweegt zijn vingers zolang hij schrijft” en “Altijd: geen slaper is wakker zolang hij slaapt”. De vijfde is de absolute temporele: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het toekomen van het predicaat aan het subject, of de ontkenning ervan, noodzakelijk is op een bepaald moment van de momenten van het wezen, zoals in “Elke maan is verduisterd, noodzakelijk, op het moment dat de aarde tussen haar en de zon komt” en “Geen maan is verduisterd, noodzakelijk, ten tijde van de kwadratuur [het eerste of laatste kwartier]”. De zesde is de absolute verspreide: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het toekomen van het predicaat aan het subject, of de ontkenning ervan, noodzakelijk is op een moment van de momenten van het wezen, zoals in “Elk dier ademt, noodzakelijk, op enig moment” en “Geen steen ademt, noodzakelijk”. De zevende is de algemene absolute: een propositie waarin geoordeeld wordt dat het predicaat aan het subject toekomt, of ervan ontkend wordt, dat wil zeggen: in een van de drie tijden [verleden, heden of toekomst], zoals in “Elke mens lacht, daadwerkelijk” en “Geen mens lacht”. De achtste is de algemene mogelijke: een propositie waarin geoordeeld wordt dat de noodzakelijkheid van de tegengestelde kant ontkend wordt, zoals in “Elk vuur is heet, volgens algemene mogelijkheid” en “Geen vuur is koud, volgens algemene mogelijkheid”.
المُرَكَّبَةُ قَضِيَّةٌ رُكِّبَتْ حَقِيقَتُها مِن إيجابٍ وسَلْبٍ، والاعْتِبارُ في تَسْمِيَتِها مُوجَبَةً أو سالِبَةً لِلْجُزْءِ الأوَّلِ؛ فإنْ كانَ الجُزْءُ الأوَّلُ مُوجَبًا كقَوْلِكَ: «بالضَّرُورَةِ كُلُّ كاتِبٍ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا» سُمِّيَتْ مُوجَبَةً، وإنْ كانَ الجُزْءُ الأوَّلُ سالِبًا كقَوْلِنا: «بالضَّرُورَةِ لا شَيْءَ مِنَ الكاتِبِ بساكِنِ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا» سُمِّيَتْ سالِبَةً. ومِنَ المُرَكَّباتِ المَشْرُوطَةُ الخاصَّةُ، وهي المَشْرُوطَةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، ومَرَّ مِثالُها إيجابًا وسَلْبًا. ومِنْها العُرْفِيَّةُ الخاصَّةُ، وهي العُرْفِيَّةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، كما تَقُولُ: «دائِمًا كُلُّ كاتِبٍ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا» و«دائِمًا لا شَيْءَ مِنَ الكاتِبِ بساكِنِ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا». ومِنْها الوُجُودِيَّةُ اللّاضَرُورِيَّةُ، وهي المُطْلَقَةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّاضَرُورَةِ بحَسَبِ الذّاتِ، كقَوْلِنا: «كُلُّ إنْسانٍ كاتِبٌ بالفِعْلِ لا بالضَّرُورَةِ» في الإيجابِ، و«لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بكاتِبٍ بالفِعْلِ ولا بالضَّرُورَةِ» في السَّلْبِ. ومِنْها الوُجُودِيَّةُ اللّادائِمَةُ، وهي المُطْلَقَةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، كقَوْلِكَ في الإيجابِ: «كُلُّ إنْسانٍ ضاحِكٌ بالفِعْلِ لا دائِمًا»، وقَوْلِكَ في السَّلْبِ: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بضاحِكٍ بالفِعْلِ لا دائِمًا». ومِنْها الوَقْتِيَّةُ، وهي الوَقْتِيَّةُ المُطْلَقَةُ إذا قُيِّدَ باللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، كقَوْلِنا: «بالضَّرُورَةِ كُلُّ قَمَرٍ مُنْخَسِفٌ وَقْتَ حَيْلُولَةِ الأرْضِ بَيْنَهُ وبَيْنَ الشَّمْسِ لا دائِمًا» و«بالضَّرُورَةِ لا شَيْءَ مِنَ القَمَرِ بمُنْخَسِفٍ وَقْتَ التَّرْبِيعِ لا دائِمًا». ومِنْها المُنْتَشِرَةُ، وهي المُنْتَشِرَةُ المُطْلَقَةُ المُقَيَّدَةُ باللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، مِثالُها: «بالضَّرُورَةِ كُلُّ إنْسانٍ مُتَنَفِّسٌ في وَقْتٍ ما لا دائِمًا» و«بالضَّرُورَةِ لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بمُتَنَفِّسٍ وَقْتًا ما لا دائِمًا». ومِنْها المُمْكِنَةُ الخاصَّةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بارْتِفاعِ الضَّرُورَةِ المُطْلَقَةِ عن جانِبَيِ الوُجُودِ والعَدَمِ جَمِيعًا، كقَوْلِكَ: «بالإمْكانِ الخاصِّ كُلُّ إنْسانٍ ضاحِكٌ» و«بالإمْكانِ الخاصِّ لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بضاحِكٍ».
Een samengestelde [modale ] is een propositie waarvan de is samengesteld uit een bevestiging en een ontkenning. Of ze bevestigend of ontkennend genoemd wordt, hangt af van het eerste deel. Is het eerste deel bevestigend, zoals in “Noodzakelijk beweegt elke schrijver zijn vingers zolang hij schrijft, niet altijd”, dan heet ze bevestigend; is het eerste deel ontkennend, zoals wanneer we zeggen: “Noodzakelijk heeft geen schrijver stilstaande vingers zolang hij schrijft, niet altijd”, dan heet ze ontkennend. Tot de samengestelde behoort de speciale conditionele: de algemene conditionele met de beperking van niet-bestendigheid wat het wezen betreft; het voorbeeld ervan, bevestigend en ontkennend, is al gegeven. Daartoe behoort de speciale conventionele: de algemene conventionele met de beperking van niet-bestendigheid wat het wezen betreft, zoals in “Altijd: elke schrijver beweegt zijn vingers zolang hij schrijft, niet altijd” en “Altijd: geen schrijver heeft stilstaande vingers zolang hij schrijft, niet altijd”. Daartoe behoort de niet-noodzakelijke existentiële: de algemene absolute met de beperking van niet-noodzakelijkheid wat het wezen betreft, zoals wanneer we zeggen: “Elke mens is daadwerkelijk een schrijver, niet noodzakelijk” voor de bevestigende, en “Geen mens is daadwerkelijk een schrijver, en niet noodzakelijk” voor de ontkennende. Daartoe behoort de niet-bestendige existentiële: de algemene absolute met de beperking van niet-bestendigheid wat het wezen betreft, zoals voor de bevestigende “Elke mens lacht daadwerkelijk, niet altijd”, en voor de ontkennende “Geen mens lacht daadwerkelijk, niet altijd”. Daartoe behoort de temporele: de absolute temporele als die beperkt wordt door niet-bestendigheid wat het wezen betreft, zoals wanneer we zeggen: “Noodzakelijk is elke maan verduisterd op het moment dat de aarde tussen haar en de zon komt, niet altijd” en “Noodzakelijk is geen maan verduisterd ten tijde van de kwadratuur, niet altijd”. Daartoe behoort de verspreide: de absolute verspreide, beperkt door niet-bestendigheid wat het wezen betreft; het voorbeeld ervan is: “Noodzakelijk ademt elke mens op enig moment, niet altijd” en “Noodzakelijk ademt geen mens op enig moment, niet altijd”. Daartoe behoort de speciale mogelijke: een propositie waarin geoordeeld wordt dat de absolute noodzakelijkheid van beide kanten tegelijk opgeheven is, van bestaan en van niet-bestaan, zoals in “Volgens speciale mogelijkheid lacht elke mens” en “Volgens speciale mogelijkheid lacht geen mens”.
اللّادَوامُ إشارَةٌ إلى مُطْلَقَةٍ عامَّةٍ، واللّاضَرُورَةُ إشارَةٌ إلى مُمْكِنَةٍ عامَّةٍ؛ فإذا قُلْتَ: «كُلُّ إنْسانٍ مُتَعَجِّبٌ بالفِعْلِ لا دائِمًا» فكأنّكَ قُلْتَ: «كُلُّ إنْسانٍ مُتَعَجِّبٌ بالفِعْلِ، ولا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بمُتَعَجِّبٍ بالفِعْلِ»، وإذا قُلْتَ: «كُلُّ حَيَوانٍ ماشٍ بالفِعْلِ لا بالضَّرُورَةِ» فكأنّكَ قُلْتَ: «كُلُّ حَيَوانٍ ماشٍ بالفِعْلِ، ولا شَيْءَ مِنَ الحَيَوانِ بماشٍ بالإمْكانِ».
Niet-bestendigheid wijst op een algemene absolute, en niet-noodzakelijkheid wijst op een algemene mogelijke. Zegt men dus: “Elke mens verwondert zich daadwerkelijk, niet altijd”, dan is het alsof men zei: “Elke mens verwondert zich daadwerkelijk, en geen mens verwondert zich daadwerkelijk”; en zegt men: “Elk dier loopt daadwerkelijk, niet noodzakelijk”, dan is het alsof men zei: “Elk dier loopt daadwerkelijk, en geen dier loopt, volgens mogelijkheid”.
قد عَرَفْتَ مَعْنى الشَّرْطِيَّةِ، وهي الّتي تَنْحَلُّ إلى قَضِيَّتَيْنِ، والآنَ نَهْدِيكَ إلى أقْسامِها، ونُرْشِدُكَ إلى أحْكامِها؛ فاعْلَمْ أيُّها الفَطِنُ اللَّبِيبُ والذَّكِيُّ الأرِيبُ أنّ الشَّرْطِيَّةَ قِسْمانِ: أحَدُهما المُتَّصِلَةُ، وثانِيهِما المُنْفَصِلَةُ. أمّا المُتَّصِلَةُ فهي الّتي حُكِمَ فيها بثُبُوتِ نِسْبَةٍ على تَقْدِيرِ ثُبُوتِ نِسْبَةٍ أُخْرى في الإيجابِ، وبنَفْيِ نِسْبَةٍ على تَقْدِيرِ نَفْيِ نِسْبَةٍ أُخْرى في السَّلْبِ، كقَوْلِنا في الإيجابِ: «إنْ كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ حَيَوانًا»، وقَوْلِنا في السَّلْبِ: «لَيْسَ البَتَّةَ إذا كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ فَرَسًا». ثُمَّ المُتَّصِلَةُ صِنْفانِ: إنْ كانَ ذلك الحُكْمُ لِعَلاقَةٍ بَيْنَ المُقَدَّمِ والتّالِي سُمِّيَتْ لُزُومِيَّةً كما مَرَّ، وإنْ كانَ ذلك الحُكْمُ بدُونِ العَلاقَةِ سُمِّيَتِ اتِّفاقِيَّةً، كقَوْلِكَ: «إذا كانَ الإنْسانُ ناطِقًا فالحِمارُ ناهِقٌ». والعَلاقَةُ في عُرْفِهم عِبارَةٌ عن أحَدِ الأمْرَيْنِ: إمّا أنْ يَكُونَ أحَدُهما عِلَّةً لِلْآخَرِ أو كِلاهُما مَعْلُولَيْنِ لِثالِثٍ، وإمّا أنْ يَكُونَ بَيْنَهُما عَلاقَةُ التَّضايُفِ. والتَّضايُفُ هو أنْ يَكُونَ تَعَقُّلُ أحَدِهِما مَوْقُوفًا على تَعَقُّلِ الآخَرِ كالأُبُوَّةِ والبُنُوَّةِ؛ فإذا قُلْتَ: «إنْ كانَ زَيْدٌ أبًا لِعَمْرٍو كانَ عَمْرٌو ابْنًا لَهُ» يَكُونُ شَرْطِيَّةً مُتَّصِلَةً بَيْنَ طَرَفَيْها عَلاقَةُ التَّضايُفِ. وأمّا المُنْفَصِلَةُ فهي الّتي حُكِمَ فيها بالتَّنافِي بَيْنَ شَيْئَيْنِ في مُوجَبَةٍ، وبسَلْبِ التَّنافِي بَيْنَهُما في سالِبَةٍ.
Wat een is, weet je al: een die in twee proposities uiteenvalt. Nu wijzen we je de weg naar haar soorten en leiden we je naar haar regels. Weet dan, scherpzinnige en verstandige, schrandere en bekwame lezer, dat de voorwaardelijke propositie twee soorten heeft: de eerste is de verbindende, de tweede de disjunctieve.
De verbindende is een propositie waarin geoordeeld wordt, bij de bevestigende, dat een relatie geldt als men aanneemt dat een andere relatie geldt, en bij de ontkennende, dat een relatie ontkend wordt als men aanneemt dat een andere relatie ontkend wordt; zoals we bij de bevestigende zeggen: “Als Zayd een mens is, is hij een dier”, en bij de ontkennende: “Nooit: als Zayd een mens is, is hij een paard.” Verder is de verbindende er in twee soorten. Wordt dat oordeel geveld vanwege een verband tussen het en het , dan heet ze een verbindende met vaste samenhang, zoals [in het voorbeeld] dat zojuist gegeven is; wordt dat oordeel geveld zonder verband, dan heet ze toevallig, zoals in “Als de mens redelijk is, balkt de ezel.” In hun spraakgebruik betekent verband een van twee dingen: ofwel is het ene de oorzaak van het andere, of zijn beide het gevolg van een derde; ofwel bestaat er tussen beide het verband van wederzijdse betrokkenheid. Wederzijdse betrokkenheid is er wanneer het begrijpen van het ene afhangt van het begrijpen van het andere, zoals bij vaderschap en zoonschap. Zegt men dus: “Als Zayd de vader van ʿAmr is, is ʿAmr zijn zoon”, dan is dat een met tussen haar twee kanten het verband van wederzijdse betrokkenheid.
De disjunctieve is een propositie waarin geoordeeld wordt, bij een bevestigende, dat twee dingen onverenigbaar zijn, en bij een ontkennende, dat de onverenigbaarheid tussen beide ontkend wordt.
الشَّرْطِيَّةُ المُنْفَصِلَةُ على ثَلاثَةِ أضْرُبٍ؛ لأنّها إنْ حُكِمَ فيها بالتَّنافِي أو بعَدَمِهِ بَيْنَ النِّسْبَتَيْنِ في الصِّدْقِ والكَذِبِ مَعًا كانَتِ المُنْفَصِلَةُ حَقِيقِيَّةً، كما تَقُولُ: «هذا العَدَدُ إمّا زَوْجٌ أو فَرْدٌ»، فلا يُمْكِنُ اجْتِماعُ الزَّوْجِيَّةِ والفَرْدِيَّةِ في عَدَدٍ مُعَيَّنٍ ولا ارْتِفاعُهُما. وإنْ حُكِمَ بالتَّنافِي أو بعَدَمِهِ صِدْقًا فَقَطْ كانَتْ مانِعَةَ الجَمْعِ، كقَوْلِكَ: «هذا الشَّيْءُ إمّا شَجَرٌ أو حَجَرٌ»، فلا يُمْكِنُ أنْ يَكُونَ شَيْءٌ مُعَيَّنٌ حَجَرًا وشَجَرًا مَعًا، ويُمْكِنُ أنْ لا يَكُونَ شَيْئًا مِنْهُما. وإنْ حُكِمَ بالتَّنافِي وسَلْبِهِ كَذِبًا فَقَطْ كانَتْ مانِعَةَ الخُلُوِّ، كقَوْلِ القائِلِ: «إمّا أنْ يَكُونَ زَيْدٌ في البَحْرِ أو لا يَغْرَقَ»، فارْتِفاعُهُما بأنْ لا يَكُونَ زَيْدٌ في البَحْرِ ويَغْرَقَ مُحالٌ، ولَيْسَ اجْتِماعُهُما مُحالًا بأنْ يَكُونَ في البَحْرِ ولا يَغْرَقَ.
De is er in drie soorten. Wordt daarin de onverenigbaarheid, of het ontbreken ervan, tussen de twee relaties geoordeeld in waarheid en in onwaarheid samen, dan is de disjunctieve echt, zoals in: “Dit getal is ofwel even ofwel oneven”; even en oneven kunnen niet samen voorkomen in een bepaald getal, en ook niet allebei ontbreken. Wordt de onverenigbaarheid, of het ontbreken ervan, alleen in waarheid geoordeeld, dan sluit ze uit dat beide samen voorkomen, zoals in: “Dit ding is ofwel een boom ofwel een steen”: een bepaald ding kan niet tegelijk een steen en een boom zijn, maar het kan wel geen van beide zijn. Wordt de onverenigbaarheid, of de ontkenning ervan, alleen in onwaarheid geoordeeld, dan sluit ze uit dat beide ontbreken, zoals wanneer iemand zegt: “Zayd is ofwel in de zee ofwel verdrinkt hij niet”: dat beide ontbreken – dat Zayd niet in de zee is en toch verdrinkt – is onmogelijk; maar dat beide samen voorkomen – dat hij in de zee is en niet verdrinkt – is niet onmogelijk.
المُنْفَصِلَةُ بأقْسامِها الثَّلاثَةِ قِسْمانِ: عِنادِيَّةٌ واتِّفاقِيَّةٌ؛ والعِنادِيَّةُ عِبارَةٌ عن أنْ يَكُونَ فيها التَّنافِي بَيْنَ الجُزْأَيْنِ لِذاتِهِما، والاتِّفاقِيَّةُ عِبارَةٌ عن أنْ يَكُونَ فيها التَّنافِي بمُجَرَّدِ الاتِّفاقِ.
De disjunctieve is in elk van haar drie soorten weer tweeërlei: met tegenstelling en toevallig. Bij de disjunctieve met tegenstelling komt de onverenigbaarheid tussen de twee delen voort uit de delen zelf; bij de toevallige berust de onverenigbaarheid op louter toeval.
اعْلَمْ أنّه كما يَنْقَسِمُ الحَمْلِيَّةُ إلى الشَّخْصِيَّةِ والمَحْصُورَةِ والمُهْمَلَةِ، كذلك الشَّرْطِيَّةُ تَنْقَسِمُ هذه الأقْسامَ، إلّا أنّ القَضِيَّةَ الطَّبْعِيَّةَ لا تُتَصَوَّرُ هٰهُنا. ثُمَّ التَّقادِيرُ في الشَّرْطِيَّةِ بمَنْزِلَةِ الأفْرادِ في الحَمْلِيَّةِ؛ فإنْ كانَ الحُكْمُ على تَقْدِيرٍ مُعَيَّنٍ ووَضْعٍ خاصٍّ سُمِّيَتِ الشَّرْطِيَّةُ شَخْصِيَّةً، كقَوْلِنا: «إنْ جِئْتَنِي اليَوْمَ أكْرَمْتُكَ»، وإنْ كانَ الحُكْمُ على جَمِيعِ تَقادِيرِ المُقَدَّمِ سُمِّيَتْ كُلِّيَّةً، نحوُ: «كُلَّما كانَتِ الشَّمْسُ طالِعَةً كانَ النَّهارُ مَوْجُودًا»، وإنْ كانَ الحُكْمُ على بَعْضِ التَّقادِيرِ كانَتْ جُزْئِيَّةً، كما في قَوْلِنا: «قد يَكُونُ إذا كانَ الشَّيْءُ حَيَوانًا كانَ إنْسانًا»، وإنْ تُرِكَ ذِكْرُ التَّقادِيرِ كُلًّا وبَعْضًا كانَتْ مُهْمَلَةً، نحوُ: «إنْ كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ حَيَوانًا».
Weet dat de , net zoals de categorische verdeeld wordt in , en onbepaalde, in dezelfde soorten verdeeld wordt; alleen is een natuurlijke hier niet denkbaar. In de voorwaardelijke staan de situaties op de plaats van de individuen in de categorische. Wordt het oordeel geveld over één bepaalde situatie en een specifieke toestand, dan heet de voorwaardelijke enkelvoudig, zoals wanneer we zeggen: “Als je vandaag bij me komt, zal ik je eren.” Wordt het oordeel geveld over alle situaties van het , dan heet ze algemeen, zoals in “Telkens wanneer de zon opgekomen is, is het dag.” Wordt het geveld over sommige situaties, dan is ze , zoals in onze uitspraak: “Soms, als iets een dier is, is het een mens.” Wordt de vermelding van de situaties, alle of sommige, weggelaten, dan is ze , zoals in “Als Zayd een mens is, is hij een dier.”
سُورُ المُوجَبَةِ الكُلِّيَّةِ في المُتَّصِلَةِ لَفْظَةُ «مَتى» و«مَهْما» و«كُلَّما»، وفي المُنْفَصِلَةِ «دائِمًا». وسُورُ السّالِبَةِ الكُلِّيَّةِ في المُتَّصِلَةِ والمُنْفَصِلَةِ «لَيْسَ البَتَّةَ». وسُورُ المُوجَبَةِ الجُزْئِيَّةِ فيهما «قد يَكُونُ». وسُورُ السّالِبَةِ الجُزْئِيَّةِ فيهما «قد لا يَكُونُ»، وبإدْخالِ حَرْفِ السَّلْبِ على سُورِ الإيجابِ الكُلِّيِّ. ولَفْظَةُ «لَوْ» و«إنْ» و«إذا» في الاتِّصالِ، و«إمّا» و«أوْ» في الانْفِصالِ، تَجِيءُ في الإهْمالِ.
De van de algemeen bevestigende is in de verbindende het woord matā (“wanneer”), mahmā (“wanneer ook”) of kullamā (“telkens wanneer”), en in de disjunctieve dāʾiman (“altijd”). De kwantor van de algemeen ontkennende is in de verbindende en de disjunctieve laysa al-battata (“nooit”). De kwantor van de bevestigende is in beide qad yakūnu (“soms”). De kwantor van de particulier ontkennende is in beide qad lā yakūnu (“soms niet”), en ook het plaatsen van het ontkenningspartikel vóór de kwantor van de algemeen bevestigende. De woorden law (“als het zo was”), in (“als”) en idhā (“wanneer”) bij de verbinding, en immā (“ofwel”) en aw (“of”) bij de disjunctie, komen voor in onbepaalde [].
طَرَفا الشَّرْطِيَّةِ ـ أعْنِي المُقَدَّمَ والتّالِيَ ـ لا حُكْمَ فيهما حِينَ كَوْنِهِما طَرَفَيْنِ، وبَعْدَ التَّحْلِيلِ يُمْكِنُ أنْ يُعْتَبَرَ فيهما حُكْمٌ؛ فطَرَفاها إمّا شَبِيهَتانِ بحَمْلِيَّتَيْنِ، أو مُتَّصِلَتَيْنِ، أو مُنْفَصِلَتَيْنِ، أو مُخْتَلِفَتَيْنِ. عَلَيْكَ باسْتِخْراجِ الأمْثِلَةِ.
De twee kanten van een – ik bedoel het en het – bevatten geen oordeel zolang ze haar kanten zijn; na ontleding kan er een oordeel in beschouwd worden. Haar twee kanten lijken dus ofwel op twee , ofwel op twee verbindende, ofwel op twee disjunctieve, ofwel zijn ze gemengd. Het is aan jou de voorbeelden te vinden.
وإذْ قد فَرَغْنا عن بَيانِ القَضايا وذِكْرِ أقْسامِها الأوَّلِيَّةِ والثّانَوِيَّةِ، فحانَ لَنا أنْ نَذْكُرَ شَيْئًا مِن أحْكامِها؛ فنَقُولُ: مِن أحْكامِها التَّناقُضُ والعُكُوسُ، فلْنَعْقِدْ لِبَيانِها فُصُولًا، ونَذْكُرْ فيها أُصُولًا.
Nu we klaar zijn met de uitleg van de en de vermelding van hun eerste en tweede indelingen, is het tijd om enkele van hun regels te noemen. We zeggen dus: tot hun regels horen de en de omkeringen. Laten we daarom paragrafen wijden aan de uitleg ervan en daarin enkele grondregels uiteenzetten.
التَّناقُضُ هو اخْتِلافُ القَضِيَّتَيْنِ بالإيجابِ والسَّلْبِ بحَيْثُ يَقْتَضِي لِذاتِهِ صِدْقَ إحْداهُما كَذِبَ الأُخْرى أو بالعَكْسِ، كقَوْلِنا: «زَيْدٌ قائِمٌ» و«زَيْدٌ لَيْسَ بقائِمٍ». وشَرْطُ تَحَقُّقِ التَّناقُضِ بَيْنَ القَضِيَّتَيْنِ المَخْصُوصَتَيْنِ وَحَداتٌ ثَمانِيَةٌ، فلا يَتَحَقَّقُ بِدُونِها: وَحْدَةُ المَوْضُوعِ ووَحْدَةُ المَحْمُولِ، ووَحْدَةُ المَكانِ، ووَحْدَةُ الزَّمانِ، ووَحْدَةُ القُوَّةِ والفِعْلِ، ووَحْدَةُ الشَّرْطِ، ووَحْدَةُ الجُزْءِ والكُلِّ، ووَحْدَةُ الإضافَةِ. وقَدِ اجْتَمَعَتْ في هٰذَيْنِ البَيْتَيْنِ، بيت:
«در تناقض هشت وحدة شرط دان * وحدة موضوع ومحمول ومكان
وحدة شرط واضافت جزو وكل * قوة وفعل است در آخر زمان»
فإذا اخْتَلَفَتا فيها لم تَتَناقَضا، نحوُ: «زَيْدٌ قائِمٌ» و«عَمْرٌو لَيْسَ بقائِمٍ»، و«زَيْدٌ قاعِدٌ» و«زَيْدٌ لَيْسَ بقائِمٍ»، و«زَيْدٌ مَوْجُودٌ» أي في الدّارِ و«زَيْدٌ لَيْسَ بمَوْجُودٍ» أي في السُّوقِ، و«زَيْدٌ نائِمٌ» أي في اللَّيْلِ و«زَيْدٌ لَيْسَ بنائِمٍ» أي في النَّهارِ، و«زَيْدٌ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ» أي بشَرْطِ كَوْنِهِ كاتِبًا و«زَيْدٌ لَيْسَ بمُتَحَرِّكِ الأصابِعِ» أي بشَرْطِ كَوْنِهِ غَيْرَ كاتِبٍ، و«الخَمْرُ في الدَّنِّ مُسْكِرٌ» أي بالقُوَّةِ و«الخَمْرُ لَيْسَ بمُسْكِرٍ في الدَّنِّ» أي بالفِعْلِ، و«الزِّنْجِيُّ أسْوَدُ» أي كُلُّهُ و«الزِّنْجِيُّ لَيْسَ بأسْوَدَ» أي جُزْؤُهُ أعْنِي أسْنانَهُ، و«زَيْدٌ أبٌ» أي لِبَكْرٍ و«زَيْدٌ لَيْسَ بأبٍ» أي لِخالِدٍ. وبَعْضُهُمُ اكْتَفَوْا بوَحْدَتَيْنِ، أي وَحْدَةِ المَوْضُوعِ والمَحْمُولِ، لانْدِراجِ البَواقِي فيهما، وبَعْضُهُمْ قَنِعُوا بوَحْدَةِ النِّسْبَةِ فَقَطْ؛ لأنّ وَحْدَتَها مُسْتَلْزِمَةٌ بجَمِيعِ الوَحَداتِ.
is het verschil van twee in bevestiging en ontkenning, zo dat het uit zichzelf vereist dat de waarheid van de ene [samengaat met] de onwaarheid van de andere, of omgekeerd; zoals wanneer we zeggen: “Zayd staat” en “Zayd staat niet.” De voorwaarde voor tegenspraak tussen twee proposities is acht eenheden; zonder die bestaat ze niet: eenheid van , eenheid van , eenheid van plaats, eenheid van tijd, eenheid van aanleg en daad, eenheid van voorwaarde, eenheid van deel en geheel, en eenheid van verhouding. Ze zijn samengebracht in deze twee versregels:
“در تناقض هشت وحدة شرط دان * وحدة موضوع ومحمول ومكان
وحدة شرط واضافت جزو وكل * قوة وفعل است در آخر زمان” [Weet dat acht eenheden een voorwaarde zijn voor tegenspraak: eenheid van subject, predicaat en plaats; eenheid van voorwaarde en verhouding, deel en geheel; aanleg en daad, en als laatste tijd.]
Verschillen de twee in een van deze, dan spreken ze elkaar dus niet tegen, zoals “Zayd staat” en “ʿAmr staat niet”; “Zayd zit” en “Zayd staat niet”; “Zayd is aanwezig”, dat wil zeggen: in het huis, en “Zayd is niet aanwezig”, dat wil zeggen: op de markt; “Zayd slaapt”, dat wil zeggen: ’s nachts, en “Zayd slaapt niet”, dat wil zeggen: overdag; “Zayds vingers bewegen”, dat wil zeggen: op voorwaarde dat hij schrijft, en “Zayds vingers bewegen niet”, dat wil zeggen: op voorwaarde dat hij niet schrijft; “Wijn in de kruik bedwelmt”, dat wil zeggen: in aanleg, en “Wijn in de kruik bedwelmt niet”, dat wil zeggen: in daad; “De Zanjī [iemand uit Oost-Afrika] is zwart”, dat wil zeggen: hij als geheel, en “De Zanjī is niet zwart”, dat wil zeggen: een deel van hem, ik bedoel zijn tanden; “Zayd is vader”, dat wil zeggen: van Bakr, en “Zayd is geen vader”, dat wil zeggen: van Khālid. Sommigen namen genoegen met twee eenheden, de eenheid van subject en van predicaat, omdat de rest daarin begrepen is; en sommigen volstonden met alleen de eenheid van de relatie, omdat de eenheid daarvan alle eenheden meebrengt.
لا بُدَّ في التَّناقُضِ في المَحْصُورَتَيْنِ مِن كَوْنِ القَضِيَّتَيْنِ مُخْتَلِفَتَيْنِ في الكَمِّ، أعْنِي الكُلِّيَّةَ والجُزْئِيَّةَ؛ فإذا كانَ أحَدُهما كُلِّيَّةً تَكُونُ الأُخْرى جُزْئِيَّةً؛ لأنّ الكُلِّيَّتَيْنِ قد تَكْذِبانِ، كما تَقُولُ: «كُلُّ حَيَوانٍ إنْسانٌ» و«لا شَيْءَ مِنَ الحَيَوانِ بإنْسانٍ»، والجُزْئِيَّتَيْنِ قد تَصْدُقانِ، كقَوْلِكَ: «بَعْضُ الحَيَوانِ إنْسانٌ» و«بَعْضُ الحَيَوانِ لَيْسَ بإنْسانٍ»، ويَكُونُ ذلك في كُلِّ مادَّةٍ يَكُونُ المَوْضُوعُ أعَمَّ فيها. ولا بُدَّ في تَناقُضِ القَضايا المُوَجَّهَةِ مِنَ الاخْتِلافِ في الجِهَةِ؛ فنَقِيضُ الضَّرُورِيَّةِ المُطْلَقَةِ المُمْكِنَةُ العامَّةُ، ونَقِيضُ الدّائِمَةِ المُطْلَقَةِ المُطْلَقَةُ العامَّةُ، ونَقِيضُ المَشْرُوطَةِ العامَّةِ الحِينِيَّةُ المُمْكِنَةُ، ونَقِيضُ العُرْفِيَّةِ العامَّةِ الحِينِيَّةُ المُطْلَقَةُ؛ وهذا في البَسائِطِ المُوَجَّهَةِ. ونَقائِضُ المُرَكَّباتِ مِنْها مَفْهُومٌ مُرَدَّدٌ بَيْنَ نَقِيضَيْ بَسائِطِها، والتَّفْصِيلُ يُطْلَبُ مِن مُطَوَّلاتِ الفَنِّ.
Voor tussen twee moeten de twee verschillen in hoeveelheid, ik bedoel in algemeen en zijn: is de ene algemeen, dan is de andere particulier. Want twee algemene kunnen allebei onwaar zijn, zoals in “Elk dier is een mens” en “Geen dier is een mens”; en twee particuliere kunnen allebei waar zijn, zoals in “Sommige dieren zijn mensen” en “Niet elk dier is een mens”. Dat gebeurt in elk geval waarin het algemener is. Voor tegenspraak tussen modale moeten ze verschillen in modaliteit. Het tegenstrijdige van de absolute noodzakelijke is dus de algemene mogelijke; het tegenstrijdige van de absolute bestendige is de algemene absolute; het tegenstrijdige van de algemene conditionele is de mogelijke ‘terwijl’-propositie [die oordeelt over de tijd terwijl het subject de titelbeschrijving heeft]; en het tegenstrijdige van de algemene conventionele is de absolute ‘terwijl’-propositie. Dit geldt voor de modale proposities. De tegenstrijdigen van de samengestelde zijn een begrip dat ofwel het tegenstrijdige van het ene, ofwel dat van het andere enkelvoudige [deel] is. De bijzonderheden moeten gezocht worden in de uitvoerige werken van het vak.
ويُشْتَرَطُ في أخْذِ نَقائِضِ الشَّرْطِيّاتِ الاتِّفاقُ في الجِنْسِ والنَّوْعِ، والمُخالَفَةُ في الكَيْفِ؛ فنَقِيضُ المُتَّصِلَةِ اللُّزُومِيَّةِ المُوجَبَةِ سالِبَةٌ مُتَّصِلَةٌ لُزُومِيَّةٌ، ونَقِيضُ المُنْفَصِلَةِ العِنادِيَّةِ المُوجَبَةِ سالِبَةٌ مُنْفَصِلَةٌ عِنادِيَّةٌ، وهٰكَذا؛ فإذا قُلْتَ: «دائِمًا كُلَّما كانَ ا ب فـج د» كانَ نَقِيضُهُ «لَيْسَ كُلَّما كانَ ا ب فـج د»، وإذا قُلْتَ: «دائِمًا إمّا أنْ يَكُونَ هذا العَدَدُ زَوْجًا أو فَرْدًا» فنَقِيضُهُ «لَيْسَ دائِمًا إمّا أنْ يَكُونَ هذا العَدَدُ زَوْجًا أو فَرْدًا».
Bij het nemen van de tegenstrijdigen van is de voorwaarde dat ze overeenkomen in [verbindend of ] en in soort [met vaste samenhang, met tegenstelling enzovoort], en verschillen in kwaliteit [bevestigend of ontkennend]. Het van een bevestigende verbindende met vaste samenhang is dus een ontkennende verbindende met vaste samenhang; het tegenstrijdige van een bevestigende disjunctieve met tegenstelling is een ontkennende disjunctieve met tegenstelling; enzovoort. Zegt men: “Altijd: telkens wanneer A B is, is J D”, dan is het tegenstrijdige ervan: “Niet telkens wanneer A B is, is J D”; en zegt men: “Altijd is dit getal ofwel even ofwel oneven”, dan is het tegenstrijdige ervan: “Niet altijd is dit getal ofwel even ofwel oneven”.
العَكْسُ المُسْتَوِي، ويُقالُ لَهُ العَكْسُ المُسْتَقِيمُ أيْضًا، وهو عِبارَةٌ عن جَعْلِ الجُزْءِ الأوَّلِ مِنَ القَضِيَّةِ ثانِيًا والجُزْءِ الثّانِي أوَّلًا مَعَ بَقاءِ الصِّدْقِ والكَيْفِ. فالسّالِبَةُ الكُلِّيَّةُ تَنْعَكِسُ كنَفْسِها، كقَوْلِكَ: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بحَجَرٍ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِكَ: «لا شَيْءَ مِنَ الحَجَرِ بإنْسانٍ»، بدَلِيلِ الخُلْفِ؛ تَقْرِيرُهُ أنّه لو لم يَصْدُقْ «لا شَيْءَ مِنَ الحَجَرِ بإنْسانٍ» عِنْدَ صِدْقِ قَوْلِنا: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بحَجَرٍ» لَصَدَقَ نَقِيضُهُ، أعْنِي قَوْلَنا: «بَعْضُ الحَجَرِ إنْسانٌ»، فنَضُمُّهُ مَعَ الأصْلِ ونَقُولُ: «بَعْضُ الحَجَرِ إنْسانٌ، ولا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بحَجَرٍ»، يُنْتِجُ: «بَعْضُ الحَجَرِ لَيْسَ بحَجَرٍ»، فيَلْزَمُ سَلْبُ الشَّيْءِ عن نَفْسِهِ، وذلك مُحالٌ. والسّالِبَةُ الجُزْئِيَّةُ لا تَنْعَكِسُ لُزُومًا؛ لجَوازِ عُمُومِ المَوْضُوعِ في الحَمْلِيَّةِ والمُقَدَّمِ في الشَّرْطِيَّةِ، مَثَلًا يَصْدُقُ «بَعْضُ الحَيَوانِ لَيْسَ بإنْسانٍ» ولَيْسَ يَصْدُقُ «بَعْضُ الإنْسانِ لَيْسَ بحَيَوانٍ». والمُوجَبَةُ الكُلِّيَّةُ تَنْعَكِسُ إلى مُوجَبَةٍ جُزْئِيَّةٍ، فقَوْلُنا: «كُلُّ إنْسانٍ حَيَوانٌ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِنا: «بَعْضُ الحَيَوانِ إنْسانٌ»، ولا يَنْعَكِسُ إلى مُوجَبَةٍ كُلِّيَّةٍ؛ لأنّه يَجُوزُ أنْ يَكُونَ المَحْمُولُ والتّالِي عامًّا كما في مِثالِنا، فلا يَصْدُقُ «كُلُّ حَيَوانٍ إنْسانٌ». وهٰهُنا شَكٌّ، تَقْرِيرُهُ أنّ قَوْلَنا: «كُلُّ شَيْخٍ كانَ شابًّا» مُوجَبَةٌ كُلِّيَّةٌ صادِقَةٌ، مَعَ أنّ عَكْسَهُ «بَعْضُ الشّابِّ كانَ شَيْخًا» لَيْسَ بصادِقٍ. وأُجِيبَ عنه بأنّ عَكْسَهُ لَيْسَ ما ذَكَرْتَ، بل عَكْسُهُ «بَعْضُ مَن كانَ شابًّا شَيْخٌ». وقد يُجابُ بوَجْهٍ آخَرَ، وهو أنّ حِفْظَ النِّسْبَةِ لَيْسَ بضَرُورِيٍّ في العَكْسِ، فعَكْسُهُ «بَعْضُ الشّابِّ يَكُونُ شَيْخًا»، و هو صادِقٌ لا مَحالَةَ. والمُوجَبَةُ الجُزْئِيَّةُ تَنْعَكِسُ إلى مُوجَبَةٍ جُزْئِيَّةٍ، كقَوْلِنا: «بَعْضُ الحَيَوانِ إنْسانٌ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِنا: «بَعْضُ الإنْسانِ حَيَوانٌ». وقد يُورَدُ على انْعِكاسِ المُوجَبَةِ الجُزْئِيَّةِ كنَفْسِها إيرادٌ، وهو أنّ «بَعْضَ الوَتِدِ في الحائِطِ» صادِقٌ، وعَكْسَهُ أعْنِي «بَعْضَ الحائِطِ في الوَتِدِ» غَيْرُ صادِقٍ. والجَوابُ أنّا لا نُسَلِّمُ أنّ عَكْسَ هذه القَضِيَّةِ ما قُلْتَ مِن «بَعْضِ الحائِطِ في الوَتِدِ»، بل عَكْسُهُ «بَعْضُ ما في الحائِطِ وَتِدٌ»، ولا مِرْيَةَ في صِدْقِهِ. وباقِي مَباحِثِ العُكُوسِ مِن عَكْسِ المُوَجَّهاتِ والشَّرْطِيّاتِ فمَذْكُورٌ في المُطَوَّلاتِ.
De , ook de rechte omkering genoemd, is: het eerste deel van een tot het tweede maken en het tweede deel tot het eerste, terwijl de waarheid en de kwaliteit blijven. De algemeen ontkennende wordt tot zichzelf omgekeerd, zoals “Geen mens is een steen”, dat omgekeerd wordt tot “Geen steen is een mens”. [Dat blijkt] uit het bewijs uit het ongerijmde. Dat gaat zo: als “Geen steen is een mens” niet waar was terwijl onze uitspraak “Geen mens is een steen” waar is, dan zou het ervan waar zijn, onze uitspraak “Sommige stenen zijn mensen”. Die voegen we bij het origineel en we zeggen: “Sommige stenen zijn mensen, en geen mens is een steen”; dat levert op: “Niet elke steen is een steen.” Dan volgt dat iets van zichzelf ontkend wordt, en dat is onmogelijk.
De ontkennende wordt niet noodzakelijk omgekeerd, omdat het in een categorische, en het in een voorwaardelijke, algemener kan zijn. Zo is “Niet elk dier is een mens” waar, maar “Niet elke mens is een dier” is niet waar.
De algemeen bevestigende wordt omgekeerd tot een particulier bevestigende: onze uitspraak “Elke mens is een dier” wordt omgekeerd tot “Sommige dieren zijn mensen”. Ze wordt niet omgekeerd tot een algemeen bevestigende, omdat het , of het , algemener kan zijn, zoals in ons voorbeeld; “Elk dier is een mens” is dan ook niet waar. Hier rijst een twijfel, die zo gaat: onze uitspraak “Elke grijsaard was een jongeman” is een ware algemeen bevestigende, en toch is haar omkering, “Sommige jongemannen waren grijsaards”, niet waar. Het gegeven antwoord is dat haar omkering niet is wat je gezegd hebt; haar omkering is: “Sommigen van wie jongemannen waren, zijn grijsaards.” Soms wordt een ander antwoord gegeven: bij omkering is het niet vereist de relatie [precies zoals ze was] te bewaren, dus haar omkering is “Sommige jongemannen zullen grijsaards worden”, en dat is ongetwijfeld waar.
De particulier bevestigende wordt omgekeerd tot een particulier bevestigende, zoals “Sommige dieren zijn mensen”, dat omgekeerd wordt tot “Sommige mensen zijn dieren”. Soms wordt tegen het omkeren van de particulier bevestigende tot zichzelf een bezwaar ingebracht: “Sommige pinnen zitten in de muur” is waar, maar de omkering ervan, ik bedoel “Sommige muren zitten in de pin”, is niet waar. Het antwoord is: we geven niet toe dat de omkering van deze propositie is wat je gezegd hebt, “Sommige muren zitten in de pin”; haar omkering is “Sommige dingen die in de muur zitten, zijn pinnen”, en dat is zonder twijfel waar. De rest van de besprekingen van de omkering – de omkering van modale en van – staat in de uitvoerige werken.
عَكْسُ النَّقِيضِ هو جَعْلُ نَقِيضِ الجُزْءِ الأوَّلِ مِنَ القَضِيَّةِ ثانِيًا، ونَقِيضِ الجُزْءِ الثّانِي أوَّلًا، مَعَ بَقاءِ الصِّدْقِ والكَيْفِ؛ هذا أُسْلُوبُ المُتَقَدِّمِينَ. فتَنْعَكِسُ المُوجَبَةُ الكُلِّيَّةُ بهذا العَكْسِ كنَفْسِها، كقَوْلِنا: «كُلُّ إنْسانٍ حَيَوانٌ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِنا: «كُلُّ لا حَيَوانٍ لا إنْسانٌ». والمُوجَبَةُ الجُزْئِيَّةُ لا تَنْعَكِسُ بهذا العَكْسِ؛ لأنّ قَوْلَنا: «بَعْضُ الحَيَوانِ لا إنْسانٌ» صادِقٌ، وعَكْسَهُ أعْنِي «بَعْضُ الإنْسانِ لا حَيَوانٌ» كاذِبٌ. والسّالِبَةُ الكُلِّيَّةُ تَنْعَكِسُ إلى سالِبَةٍ جُزْئِيَّةٍ؛ تَقُولُ: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بفَرَسٍ»، وتَقُولُ في عَكْسِهِ بهذا العَكْسِ: «بَعْضُ اللّافَرَسِ لَيْسَ بلا إنْسانٍ» إلى جُزْئِيَّةٍ، ولا تَقُولُ: «لا شَيْءَ مِنَ اللّافَرَسِ بلا إنْسانٍ» لصِدْقِ نَقِيضِهِ، أعْنِي «بَعْضُ اللّافَرَسِ لا إنْسانٌ» كالجِدارِ. والسّالِبَةُ الجُزْئِيَّةُ تَنْعَكِسُ إلى سالِبَةٍ جُزْئِيَّةٍ، كقَوْلِكَ: «بَعْضُ الحَيَوانِ لَيْسَ بإنْسانٍ» تَنْعَكِسُ إلى قَوْلِكَ: «بَعْضُ اللّاإنْسانِ لَيْسَ بلا حَيَوانٍ» كالفَرَسِ. وعُكُوسُ المُوَجَّهاتِ مَذْكُورَةٌ في الكُتُبِ الطِّوالِ. وهٰهُنا قد تَمَّ مَباحِثُ القَضايا وأحْكامِها.
De is: het van het eerste deel van een tot het tweede maken, en het tegenstrijdige van het tweede deel tot het eerste, terwijl de waarheid en de kwaliteit blijven; dat is de methode van de vroegere logici. Door deze wordt de algemeen bevestigende tot zichzelf omgekeerd, zoals “Elke mens is een dier”, dat omgekeerd wordt tot “Elk niet-dier is een niet-mens”. De bevestigende wordt door deze omkering niet omgekeerd, omdat onze uitspraak “Sommige dieren zijn niet-mensen” waar is, terwijl haar omkering, ik bedoel “Sommige mensen zijn niet-dieren”, onwaar is. De algemeen ontkennende wordt omgekeerd tot een particulier ontkennende: men zegt “Geen mens is een paard”, en bij de omkering ervan door deze omkering zegt men “Niet elk niet-paard is een niet-mens”, [dus] tot een particuliere; men zegt niet “Geen niet-paard is een niet-mens”, omdat het tegenstrijdige daarvan, ik bedoel “Sommige niet-paarden zijn niet-mensen”, waar is, zoals de muur. De particulier ontkennende wordt omgekeerd tot een particulier ontkennende, zoals “Niet elk dier is een mens”, dat omgekeerd wordt tot “Niet elke niet-mens is een niet-dier”, zoals het paard. De omkeringen van modale proposities staan in de lange boeken. Hiermee zijn de besprekingen van de proposities en hun regels voltooid.
وإذْ قد فَرَغْنا عن مَباحِثِ القَضايا والعُكُوسِ الّتي كانَتْ مِن مَبادِئِ الحُجَّةِ، فحَرِيٌّ بنا أنْ نَتَكَلَّمَ في مَباحِثِ الحُجَّةِ؛ فنَقُولُ: الحُجَّةُ على ثَلاثَةِ أقْسامٍ: أحَدُها القِياسُ، وثانِيها الاسْتِقْراءُ، وثالِثُها التَّمْثِيلُ؛ فلْنُبَيِّنْ هذه الثَّلاثَةَ في ثَلاثَةِ فُصُولٍ.
Nu we klaar zijn met de besprekingen van de en de omkeringen, die tot de beginselen van het argument behoorden, past het ons over de besprekingen van het argument te spreken. We zeggen dus: het argument is er in drie soorten: de eerste is het , de tweede de en de derde de . Laten we deze drie dan in drie paragrafen uitleggen.
Het is een uitspraak die is samengesteld uit , waaruit, als die proposities toegegeven worden, een andere uitspraak volgt. Wordt daarin de conclusie of het ervan vermeld, dan heet het , zoals wanneer we zeggen: “Als Zayd een mens is, is hij een dier; maar hij is een mens”, wat oplevert: “dus hij is een dier”; en “Als Zayd een ezel is, balkt hij; maar hij balkt niet”, wat oplevert: “dat hij geen ezel is”. Wordt noch de conclusie noch het tegenstrijdige ervan vermeld, dan heet het verbindend, zoals in “Zayd is een mens, en elke mens is een dier”, wat oplevert: “Zayd is een dier”.
Het is er in twee soorten: en voorwaardelijk. Het van de conclusie in een heet de , omdat het meestal minder individuen heeft; en het ervan heet de , omdat het doorgaans meer individuen heeft. Een die deel van een syllogisme gemaakt is, heet een ; de premisse die de kleine term bevat, heet de , en die met de grote term de . Het deel dat in beide terugkomt, heet de . De koppeling van de kleine premisse aan de grote heet een combinatie en een ; en de vorm die ontstaat uit de manier waarop de middenterm geplaatst is ten opzichte van de kleine en de grote term, heet een . Er zijn vier figuren. Dat stelt men zo vast: de middenterm is ofwel het predicaat van de kleine premisse en het subject van de grote, zoals wanneer we zeggen: “De wereld verandert, en alles wat verandert, is ontstaan”, wat oplevert: “De wereld is ontstaan”; dat is de eerste figuur. Is hij in beide het predicaat, dan is het de tweede figuur, zoals in: “Elke mens is een dier, en geen steen is een dier”, zodat de conclusie is: “Geen mens is een steen.” Is hij in beide het subject, dan is het de derde figuur, zoals in “Elke mens is een dier, en sommige mensen zijn schrijvers”, wat oplevert: “Sommige dieren zijn schrijvers.” Is hij het subject in de kleine premisse en het predicaat in de grote, dan is het de vierde figuur, zoals wanneer we zeggen: “Elke mens is een dier, en sommige schrijvers zijn mensen”, wat oplevert: “Sommige dieren zijn schrijvers.”
De edelste van de vier is de eerste. Daarom is het opleveren [van een conclusie] bij haar duidelijk en vanzelfsprekend: de geest snelt daarin van nature naar de conclusie, zonder dat er nadenken of overweging nodig is. Ze heeft voorwaarden en . De voorwaarden zijn twee: de eerste is dat de bevestigend is, de tweede dat de algemeen is. Ontbreken ze allebei, of een van beide, dan volgt de conclusie niet, zoals bij nadenken duidelijk wordt. Er zijn vier modi. Want de mogelijkheden in elke figuur zijn zestien, omdat de kleine premisse van vier soorten is en de grote premisse ook van vier, ik bedoel de algemeen bevestigende, de bevestigende, de algemeen ontkennende en de particulier [ontkennende]; en vier maal vier is zestien. De voorwaarden van de eerste figuur laten er twaalf vallen: de algemeen ontkennende kleine premisse met de vier grote , en de particulier ontkennende kleine premisse met diezelfde vier, wat er acht zijn; en de particulier bevestigende en de particulier ontkennende grote premisse met de particulier en de algemeen bevestigende kleine premisse, wat er vier zijn. Er blijven dus vier modi over. De eerste modus bestaat uit een algemeen bevestigende kleine premisse en een algemeen bevestigende grote premisse, en levert een algemeen bevestigende op, zoals in “Elke J is B, en elke B is D”, wat oplevert: “[Elke] J is D.” De tweede modus bestaat uit een algemeen bevestigende kleine premisse en een algemeen ontkennende grote premisse, en levert een algemeen ontkennende op, zoals in “Elke mens is een dier, en geen dier is een steen”, wat oplevert: “Geen mens is een steen.” De derde modus is gevormd uit een particulier bevestigende kleine premisse en een algemeen bevestigende grote premisse, en de conclusie is particulier bevestigend, zoals in “Sommige dieren zijn paarden, en elk paard hinnikt”, wat oplevert: “Sommige dieren hinniken.” De vierde modus is gepaard uit een particulier bevestigende kleine premisse en een algemeen ontkennende grote premisse, en levert een particulier ontkennende op, zoals wanneer we zeggen: “Sommige dieren zijn redelijk, en niets redelijks balkt”, zodat de conclusie is: “Niet elk dier balkt.”
إنْتاجُ المُوجَبَةِ الكُلِّيَّةِ مِن خَواصِّ الشَّكْلِ الأوَّلِ، كما أنّ الإنْتاجَ لِلنَّتائِجِ الأرْبَعَةِ أيْضًا مِن خَصائِصِهِ، والصُّغْرى المُمْكِنَةُ غَيْرُ مُنْتِجَةٍ في هذا الشَّكْلِ فَقَطْ. ووَضَحَ بما ذَكَرْنا أنّه لا بُدَّ في هذا الشَّكْلِ كَيْفًا إيجابُ الصُّغْرى، وكَمًّا كُلِّيَّةُ الكُبْرى، وجِهَةً فِعْلِيَّةُ الصُّغْرى.
Een algemeen bevestigende opleveren is een van de van de eerste , zoals ook het opleveren van alle vier soorten conclusies tot haar kenmerken behoort; en een mogelijke is alleen in deze figuur . Uit wat we gezegd hebben, is duidelijk geworden dat in deze figuur de kleine premisse, wat de kwaliteit betreft, bevestigend moet zijn; de , wat de hoeveelheid betreft, algemeen; en de kleine premisse, wat de modaliteit betreft, actueel [daadwerkelijk, geen loutere mogelijkheid].
ويُشْتَرَطُ في إنْتاجِ الشَّكْلِ الثّانِي بحَسَبِ الكَيْفِ ـ أي الإيجابِ والسَّلْبِ ـ اخْتِلافُ المُقَدِّمَتَيْنِ؛ فإنْ كانَتِ الصُّغْرى مُوجَبَةً كانَتِ الكُبْرى سالِبَةً، وبالعَكْسِ؛ وبحَسَبِ الكَمِّ ـ أي الكُلِّيَّةِ والجُزْئِيَّةِ ـ كُلِّيَّةُ الكُبْرى، وإلّا يَلْزَمِ الاخْتِلافُ المُوجِبُ لعَدَمِ الإنْتاجِ، أي صِدْقُ القِياسِ مَعَ إيجابِ النَّتِيجَةِ تارَةً ومَعَ سَلْبِها أُخْرى. ونَتِيجَةُ هذا الشَّكْلِ لا يَكُونُ إلّا سالِبَةً، وضُرُوبُهُ النّاتِجَةُ أيْضًا أرْبَعَةٌ: أحَدُها مِن كُلِّيَّتَيْنِ والصُّغْرى مُوجَبَةٌ، يُنْتِجُ سالِبَةً كُلِّيَّةً، كقَوْلِنا: «كُلُّ ج ب، ولا شَيْءَ مِن ا ب»، «فلا شَيْءَ مِن ج ا». والدَّلِيلُ على هذا الإنْتاجِ عَكْسُ الكُبْرى؛ فإنّكَ إذا عَكَسْتَ الكُبْرى صارَ «لا شَيْءَ مِن ب ا»، وبانْضِمامِها إلى الصُّغْرى انْتَظَمَ الشَّكْلُ الأوَّلُ، ويُنْتِجُ النَّتِيجَةَ المَطْلُوبَةَ. الضَّرْبُ الثّانِي مِن مُوجَبَةٍ كُلِّيَّةٍ كُبْرى وسالِبَةٍ كُلِّيَّةٍ صُغْرى، كقَوْلِنا: «لا شَيْءَ مِن ج ب، وكُلُّ ا ب» يُنْتِجُ: «لا شَيْءَ مِن ج ا». والدَّلِيلُ على الإنْتاجِ عَكْسُ الصُّغْرى وجَعْلُها كُبْرى ثُمَّ عَكْسُ النَّتِيجَةِ. الضَّرْبُ الثّالِثُ مِن مُوجَبَةٍ جُزْئِيَّةٍ صُغْرى وسالِبَةٍ كُلِّيَّةٍ كُبْرى، يُنْتِجُ سالِبَةً جُزْئِيَّةً، كقَوْلِكَ: «بَعْضُ ج ب، ولا شَيْءَ مِن ا ب»، «فلَيْسَ بَعْضُ ج ا». الضَّرْبُ الرّابِعُ مِن سالِبَةٍ جُزْئِيَّةٍ صُغْرى ومُوجَبَةٍ كُلِّيَّةٍ كُبْرى، يُنْتِجُ سالِبَةً جُزْئِيَّةً؛ تَقُولُ: «بَعْضُ ج لَيْسَ ب، وكُلُّ ا ب»، «فبَعْضُ ج لَيْسَ ا».
Om de tweede iets te laten opleveren, is wat de kwaliteit betreft – dat wil zeggen: bevestiging en ontkenning – vereist dat de twee verschillen: is de bevestigend, dan is de grote ontkennend, en omgekeerd. Wat de hoeveelheid betreft – dat wil zeggen: algemeen en zijn – is vereist dat de algemeen is. Anders volgt de wisseling die onvruchtbaarheid meebrengt, dat wil zeggen: dat het de ene keer waar is met een bevestigende conclusie en de andere keer met een ontkennende. De conclusie van deze figuur is altijd ontkennend. Ook haar zijn vier. De eerste bestaat uit twee algemene premissen, waarbij de kleine premisse bevestigend is; die levert een algemeen ontkennende op, zoals wanneer we zeggen: “Elke J is B, en geen A is B”, “dus geen J is A”. Het bewijs dat deze modus iets oplevert, is de van de grote premisse: keert men de grote premisse om, dan wordt die “Geen B is A”; samen met de kleine premisse vormt ze dan de eerste figuur, en die levert de gezochte conclusie op. De tweede modus bestaat uit een algemeen bevestigende grote premisse en een algemeen ontkennende kleine premisse, zoals wanneer we zeggen: “Geen J is B, en elke A is B”, wat oplevert: “Geen J is A.” Het bewijs dat hij iets oplevert, is: de kleine premisse omkeren en tot grote premisse maken, en daarna de conclusie omkeren. De derde modus bestaat uit een particulier bevestigende kleine premisse en een algemeen ontkennende grote premisse; die levert een particulier ontkennende op, zoals in: “Sommige J zijn B, en geen A is B”, “dus niet elke J is A”. De vierde modus bestaat uit een particulier ontkennende kleine premisse en een algemeen bevestigende grote premisse; die levert een particulier ontkennende op. Men zegt: “Niet elke J is B, en elke A is B”, “dus niet elke J is A”.
شَرْطُ إنْتاجِ الشَّكْلِ الثّالِثِ كَوْنُ الصُّغْرى مُوجَبَةً، وكَوْنُ أحَدِ المُقَدِّمَتَيْنِ كُلِّيَّةً؛ فضُرُوبُهُ النّاتِجَةُ سِتَّةٌ: أحَدُها «كُلُّ ب ج، وكُلُّ ب ا، فبَعْضُ ج ا»، وثانِيها «كُلُّ ب ج، ولا شَيْءَ مِن ب ا، فبَعْضُ ج لَيْسَ ا»، وثالِثُها «بَعْضُ ب ج، وكُلُّ ب ا، فبَعْضُ ج ا»، ورابِعُها «بَعْضُ ب ج، ولا شَيْءَ مِن ب ا، فبَعْضُ ج لَيْسَ ا»، وخامِسُها «كُلُّ ب ج، وبَعْضُ ب ا، فبَعْضُ ج ا»، وسادِسُها «كُلُّ ب ج، وبَعْضُ ب لَيْسَ ا، فبَعْضُ ج لَيْسَ ا».
De voorwaarde om de derde iets te laten opleveren, is dat de bevestigend is en dat een van de twee algemeen is. Haar zijn dus zes. De eerste: “Elke B is J, en elke B is A, dus sommige J zijn A.” De tweede: “Elke B is J, en geen B is A, dus niet elke J is A.” De derde: “Sommige B zijn J, en elke B is A, dus sommige J zijn A.” De vierde: “Sommige B zijn J, en geen B is A, dus niet elke J is A.” De vijfde: “Elke B is J, en sommige B zijn A, dus sommige J zijn A.” De zesde: “Elke B is J, en niet elke B is A, dus niet elke J is A.”
وشَرائِطُ إنْتاجِ الشَّكْلِ الرّابِعِ مَعَ كَثْرَتِها وقِلَّةِ جَدْواها مَذْكُورَةٌ في المَبْسُوطاتِ، فلا عَلَيْنا لو تَرَكْنا ذِكْرَها، وكذا شَرائِطُ سائِرِ الأشْكالِ بحَسَبِ الجِهَةِ لا يَتَحَمَّلُ أمْثالُ رِسالَتِي هذه لِبَيانِها.
De voorwaarden om de vierde iets te laten opleveren, hoe talrijk ze ook zijn en hoe weinig nut ze ook hebben, staan in de uitgebreide werken; het valt ons dus niet te verwijten als we ze onvermeld laten. Evenzo de voorwaarden van de andere figuren wat de modaliteit betreft: een verhandeling als deze van mij kan de uiteenzetting daarvan niet dragen.
ولَعَلَّكَ عَلِمْتَ مِمّا ألْقَيْنا عَلَيْكَ أنّ النَّتِيجَةَ في القِياسِ تَتْبَعُ أدْوَنَ المُقَدِّمَتَيْنِ في الكَيْفِ والكَمِّ، والأدْوَنُ في الكَيْفِ هو السَّلْبُ، وفي الكَمِّ هو الجُزْئِيَّةُ؛ فالقِياسُ مِن مُوجَبَةٍ وسالِبَةٍ يُنْتِجُ سالِبَةً، والمُرَكَّبُ مِن كُلِّيَّةٍ وجُزْئِيَّةٍ إنّما يُنْتِجُ جُزْئِيَّةً. وأمّا المُرَكَّبُ مِنَ الكُلِّيَّتَيْنِ فرُبَّما يُنْتِجُ كُلِّيَّةً، وقد يُنْتِجُ جُزْئِيَّةً.
Misschien heb je uit wat we je voorgelegd hebben al begrepen dat de conclusie van een de zwakste van de twee volgt in kwaliteit en in hoeveelheid. Het zwakste in kwaliteit is de ontkenning, en in hoeveelheid het zijn. Een syllogisme uit een bevestigende en een ontkennende premisse levert dus een ontkennende op, en een syllogisme uit een algemene en een particuliere levert alleen een particuliere op. Een syllogisme uit twee algemene premissen kan een algemene opleveren, en kan ook een particuliere opleveren.
· p. 41
Les 18 · Voorwaardelijke en uitzonderende syllogismen
وحالُها في انْعِقادِ الأشْكالِ الأرْبَعَةِ والضُّرُوبِ المُنْتِجَةِ والشَّرائِطِ المُعْتَبَرَةِ كحالِ الاقْتِرانِيّاتِ مِنَ الحَمْلِيّاتِ سَواءً بسَواءٍ. مِثالُ الشَّكْلِ الأوَّلِ في المُتَّصِلَةِ: «كُلَّما كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ حَيَوانًا، وكُلَّما كانَ حَيَوانًا كانَ جِسْمًا» يُنْتِجُ: «كُلَّما كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ جِسْمًا». مِثالُ الشَّكْلِ الثّانِي: «كُلَّما كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ حَيَوانًا، ولَيْسَ البَتَّةَ إذا كانَ حَجَرًا كانَ حَيَوانًا» يُنْتِجُ: «لَيْسَ البَتَّةَ إنْ كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ حَجَرًا». مِثالُ الثّالِثِ مِنْها: «كُلَّما كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ حَيَوانًا، وكُلَّما كانَ زَيْدٌ إنْسانًا كانَ كاتِبًا» يُنْتِجُ: «قد يَكُونُ إذا كانَ زَيْدٌ حَيَوانًا كانَ كاتِبًا». وأمّا الاقْتِرانِيُّ الشَّرْطِيُّ المُؤَلَّفُ مِنَ المُنْفَصِلاتِ فمِثالُهُ مِنَ الشَّكْلِ الأوَّلِ: «إمّا كُلُّ ا ب أو كُلُّ ج د، ودائِمًا كُلُّ د ه أو كُلُّ د ز» يُنْتِجُ: «دائِمًا إمّا كُلُّ ا ب أو كُلُّ ج ه أو كُلُّ د ز». وأمّا الاقْتِرانِيُّ الشَّرْطِيُّ المُرَكَّبُ مِن حَمْلِيَّةٍ ومُتَّصِلَةٍ فكقَوْلِنا: «كُلَّما كانَ ب ج فكُلُّ ج [د]، وكُلُّ [د] ا» يُنْتِجُ: «كُلَّما كانَ ب ج فكُلُّ ج ا». وعلى هذا القِياسِ باقِي التَّرْكِيباتِ.
Met deze [syllogismen] is het, wat het vormen van de vier , de en de geldende voorwaarden betreft, precies zo gesteld als met de verbindende syllogismen uit . Een voorbeeld van de eerste figuur met verbindende : “Telkens wanneer Zayd een mens is, is hij een dier; en telkens wanneer hij een dier is, is hij een lichaam”, wat oplevert: “Telkens wanneer Zayd een mens is, is hij een lichaam.” Een voorbeeld van de tweede figuur: “Telkens wanneer Zayd een mens is, is hij een dier; en nooit, als hij een steen is, is hij een dier”, wat oplevert: “Nooit, als Zayd een mens is, is hij een steen.” Een voorbeeld van de derde: “Telkens wanneer Zayd een mens is, is hij een dier; en telkens wanneer Zayd een mens is, is hij een schrijver”, wat oplevert: “Soms, als Zayd een dier is, is hij een schrijver.” Het verbindende voorwaardelijke dat bestaat uit disjunctieve proposities, heeft in de eerste figuur als voorbeeld: “Ofwel is elke A B, ofwel is elke J D; en altijd is elke D H of is elke D Z”, wat oplevert: “Altijd is ofwel elke A B, ofwel elke J H, ofwel elke D Z.” Het verbindende voorwaardelijke syllogisme dat bestaat uit een categorische en een verbindende propositie, is zoals wanneer we zeggen: “Telkens wanneer B J is, is elke J [D]; en elke [D] is A”, wat oplevert: “Telkens wanneer B J is, is elke J A.” De overige combinaties gaan op dezelfde manier.
Het bestaat uit twee , dat wil zeggen: twee , waarvan de ene voorwaardelijk is en de andere , met daartussen het woord van uitzondering, ik bedoel illā (“behalve”) en zijn verwanten; daarom heet het . Is de voorwaardelijke verbindend, dan levert het bevestigen van het zelf het zelf op, en het bevestigen van het van het consequent het opheffen van het antecedent. Zoals men zegt: “Telkens wanneer de zon op is, is het dag; maar de zon is op”, wat oplevert: “dus het is dag”; [of] “maar het is geen dag”, wat oplevert: “dus de zon is niet op”. Is ze een echte disjunctieve, dan levert het bevestigen van een van beide [delen] zelf het tegenstrijdige van het andere op, en omgekeerd [geldt dat ook]. Bij een disjunctieve die uitsluit dat beide samen voorkomen, levert het eerste geval iets op, het tweede niet; en bij een die uitsluit dat beide ontbreken, levert het tweede geval iets op, het eerste niet.
Hier zijn de besprekingen van het in beknopte vorm ten einde; de bijzonderheden worden aan de lange boeken overgelaten. Nu noemen we iets van wat bij het syllogisme aansluit.
· p. 42
Les 19 · Inductie, analogie, reductio, materie en vorm
الاسْتِقْراءُ هو الحُكْمُ على كُلِّيٍّ بتَتَبُّعِ أكْثَرِ الجُزْئِيّاتِ، كقَوْلِنا: «كُلُّ حَيَوانٍ يُحَرِّكُ فَكَّهُ الأسْفَلَ عِنْدَ المَضْغِ»؛ لأنّا اسْتَقْرَيْنا ـ أي تَتَبَّعْنا ـ الإنْسانَ والفَرَسَ والبَعِيرَ والحَمِيرَ والطُّيُورَ والسِّباعَ فوَجَدْنا كُلَّها كذلك، فحَكَمْنا بَعْدَ تَتَبُّعِ هذه الجُزْئِيّاتِ المُسْتَقْرِيَةِ أنّ كُلَّ حَيَوانٍ يُحَرِّكُ فَكَّهُ الأسْفَلَ عِنْدَ المَضْغِ. والاسْتِقْراءُ لا يُفِيدُ اليَقِينَ، وإنّما يُحَصِّلُ الظَّنَّ الغالِبَ؛ لجَوازِ أنْ لا يَكُونَ جَمِيعُ أفْرادِ هذا الكُلِّيِّ بهذه الحالَةِ، كما يُقالُ: إنّ التِّمْساحَ لَيْسَ على هذه الصِّفَةِ، بل يُحَرِّكُ فَكَّهُ الأعْلى.
is: over een oordelen door de meeste van zijn afzonderlijke gevallen na te gaan, zoals wanneer we zeggen: “Elk dier beweegt bij het kauwen zijn onderkaak”; want we hebben een inductie gedaan – dat wil zeggen: we zijn nagegaan – bij de mens, het paard, de kameel, ezels, vogels en roofdieren, en vonden ze allemaal zo; en dus oordeelden we, na het nagaan van deze onderzochte gevallen, dat elk dier bij het kauwen zijn onderkaak beweegt. Inductie levert geen zekerheid op; ze brengt alleen een overwegende waarschijnlijkheid voort, omdat het mogelijk is dat niet alle individuen van dit universale in deze toestand zijn. Zo zegt men dat de krokodil deze niet heeft: die beweegt zijn bovenkaak.
is: een oordeel in een afzonderlijk geval vaststellen omdat het in een ander afzonderlijk geval bestaat, vanwege een verbindende factor die beide gemeen hebben, zoals wanneer we zeggen: “De wereld is samengesteld, dus ze is ontstaan, zoals een huis.” Om vast te stellen dat de gemeenschappelijke factor de oorzaak is van het genoemde oordeel, hebben ze veel methoden, die in de grondslagen van het recht uiteengezet worden. De voornaamste daarvan zijn er twee. De eerste is de covariatie, zoals de latere geleerden haar noemen; de vroegere noemden haar ‘samen aanwezig en samen afwezig’. Ze bestaat erin dat het oordeel met de gemeenschappelijke factor meegaat in bestaan en niet-bestaan: is de factor er, dan is het oordeel er, en ontbreekt de factor, dan ontbreekt het oordeel. De covariatie is dus een aanwijzing dat datgene waar het om draait, ik bedoel de factor, de oorzaak is van wat meedraait, dat wil zeggen: het oordeel. De tweede methode is het onderzoeken en indelen. Die bestaat erin dat ze de kenmerken van het grondgeval opsommen en dan vaststellen dat alles behalve de gemeenschappelijke factor ongeschikt is om het oordeel te vereisen, omdat die kenmerken ook op een andere plaats voorkomen waar het oordeel uitblijft. In het genoemde voorbeeld zeggen ze bijvoorbeeld: de oorzaak dat het huis ontstaan is, is ofwel contingentie, ofwel bestaan, ofwel substantie zijn, ofwel lichaam zijn, ofwel samengesteld zijn; en geen van deze, behalve samengesteld zijn, is geschikt om de oorzaak van het ontstaan te zijn; anders zou alles wat contingent is, elke substantie, alles wat bestaat en elk lichaam ontstaan zijn, terwijl het Noodzakelijke [Wezen] – Hij is verheven –, de onstoffelijke substanties en de etherische lichamen dat niet zijn.
Tot de samengestelde syllogismen hoort er een dat het uit het ongerijmde heet. Het komt neer op twee syllogismen. Het eerste is een verbindend voorwaardelijk syllogisme, samengesteld uit twee verbindende . Het tweede is een waarvan de ene een propositie met vaste samenhang is – ik bedoel de conclusie van het eerste syllogisme – en de andere premisse er een waarin het van het bevestigd wordt. Het wordt zo uiteengezet: de bewering staat vast; want als de bewering niet vaststond, zou het tegenstrijdige ervan vaststaan; en telkens wanneer het tegenstrijdige ervan vaststaat, staat het onmogelijke vast. Dat levert op: als de bewering niet vaststond, zou het onmogelijke vaststaan. Dit is het eerste van de twee syllogismen. Dan maken we deze conclusie tot en zeggen: “Als de bewering niet vaststond, zou het onmogelijke vaststaan”, en we voegen er een uitzonderende aan toe en zeggen: “Maar het onmogelijke staat niet vast.” Dus staat de bewering noodzakelijk vast; anders zouden beide tegenstrijdigen opgeheven zijn. Wil je dit in een bepaald voorbeeld vatten, dan zeg je: “Elke mens is een dier” is waar; want als het niet waar was, zou “Niet elke mens is een dier” waar zijn; en telkens wanneer “Niet elke mens is een dier” waar is, volgt het onmogelijke. Dat levert op: telkens wanneer de bewering niet waar is, volgt het onmogelijke. Maar het onmogelijke staat niet vast; dus het niet-vaststaan van de bewering staat niet vast; dus de bewering staat vast.
Men moet weten dat elk een vorm en een materie moet hebben. De vorm is de ordening die ontstaat uit het rangschikken van de en het naast elkaar plaatsen ervan. De vier ken je nu, en hun voorwaarden om iets op te leveren heb je geleerd; wat overblijft, is de materie. De vroegere geleerden, tot en met de Shaykh al-Raʾīs [Ibn Sīnā], waren het meest bezig met het uitvoerig uiteenzetten en verhelderen van de materie van de syllogismen, en besteedden de meeste zorg aan het onderzoek naar de uitbreiding en verfijning ervan. Dat is omdat de kennis daarvan voor wie het vak zoekt vollediger van nut en ruimer van opbrengst is. Maar de latere geleerden hebben lang uitgeweid over de uitleg van de vormen van de syllogismen en die tot het uiterste uitgebreid, vooral bij syllogismen uit verbindende en , hoewel deze besprekingen weinig nut hebben; en ze schoven de materie terzijde en beperkten zich bij de uitleg ervan tot het geven van de definities van de vijf kunsten. Ik weet niet wat hen daartoe bracht, of welke drijfveer hen daarheen trok. De scherpzinnige, verstandige [student] moet aan deze besprekingen, die van groot gewicht en van schitterend bewijs zijn, de uiterste zorg besteden, en dit grote doel en verheven streven zoeken in de boeken van de bekwame ouden en de geschriften van de vroegste meesters, die tovenaars [van het vak]. Dus, lieve zoon, je moet naar mijn raad luisteren en mijn vermaning niet vergeten. Ik leg je slechts fragmenten voor van wat deze kunsten betreft, in vertrouwen op Hem die volstaat voor elke zorg.
Hoor dan dat het syllogisme, naar zijn materie, in vijf soorten verdeeld wordt, die de vijf kunsten heten: de eerste is het demonstratieve, de tweede het dialectische, de derde het retorische, de vierde het poëtische en de vijfde het sofistische.
Weet dat de een is dat bestaat uit , of die nu vanzelfsprekend zijn of die daarop uitlopen. Het is niet zo, zoals beweerd is, dat de demonstratie alleen uit vanzelfsprekende premissen bestaat.
Van vanzelfsprekende premissen zijn er zes. De eerste zijn de : waarin het verstand beslist alleen al door zich ernaar te wenden en [hun termen] voor te stellen, zonder een tussenschakel nodig te hebben, zoals in: “Het geheel is groter dan het deel.”
De tweede zijn de aangeboren premissen: premissen die een tussenschakel nodig hebben die nooit afwezig is in de geest. Deze proposities heten ook “premissen die hun bewijs met zich meedragen”, zoals “Vier is even”; want wie het begrip vier voorstelt, en het begrip even voorstelt als wat in twee gelijke [delen] te delen is, oordeelt vanzelfsprekend dat vier even is. En zoals wanneer we zeggen: “Eén is de helft van twee”; want het verstand oordeelt dat zodra het het begrip ‘de helft van twee’ en het begrip ‘één’ beschouwd heeft.
De derde zijn de . [Intuïtie] is het in één keer verschijnen van de uitgangspunten, zonder dat daar enige denkbeweging is. Het verschil tussen intuïtie en denken is dat het denken twee bewegingen van de ziel vereist, anders dan de intuïtie. Want de geest beweegt zich, nadat het gezochte hem in een of ander opzicht bekend is geworden, tussen de opgeslagen betekenissen en verborgen uitgangspunten, op zoek naar wat met het gezochte verband houdt, totdat hij bekende zaken vindt die erbij passen; hier is de eerste beweging voltooid. Dan keert hij terug en beweegt zich een tweede keer, terwijl hij de gevonden opgeslagen bekende zaken stap voor stap ordent, totdat hij bij het gezochte uitkomt; en de tweede beweging is voltooid. De twee bewegingen samen heten denken. Een voorbeeld: heb je je de mens in een of ander opzicht voorgesteld, zoals als schrijver of als lachend [wezen], en ga je daarna op zoek naar het wezen van de mens, dan beweeg je je geest naar de betekenissen die bij je opgeslagen zijn en vind je dier en redelijk passend bij wat je zoekt; zo is de eerste beweging voltooid: haar beginpunt is het gezochte, in één opzicht bekend, en haar eindpunt dier en redelijk. Dan orden je dier en redelijk door dier, dat het is, vóór redelijk te zetten, dat het is, en zeg je: “redelijk dier”. Hier eindigt de tweede beweging en is het gezochte verkregen. Bij intuïtie daarentegen gaat de geest in één keer van het gezochte naar de uitgangspunten, en van daar op dezelfde manier naar het gezochte. Intuïtie komt meestal na verlangen en inspanning, maar kan ook zonder die komen. Mensen verschillen in intuïtie: sommigen hebben een sterke en overvloedige intuïtie, zodat het meeste van wat ze zoeken hun door intuïtie toekomt, zoals wie gesteund wordt door de heilige kracht, zoals de wijsgeren, de heiligen en de profeten; sommigen hebben weinig en zwakke intuïtie; en sommigen hebben helemaal geen intuïtie, zoals wie uiterst traag van begrip is. Hieruit blijkt dat vanzelfsprekend en verworven zijn verschillen naargelang personen en tijden: menige intuïtieve [propositie] is verworven voor wie de heilige kracht mist, en vanzelfsprekend voor wie haar heeft.
De vierde zijn de waarnemingen: proposities waarover geoordeeld wordt door middel van waarneming en zintuiglijke gewaarwording. Ze vallen in twee soorten. De eerste is wat waargenomen wordt met een van de uitwendige zintuigen, die vijf zijn: zien, horen, ruiken, proeven en tasten; deze soort heet de zintuiglijke premissen. De tweede is wat waargenomen wordt door de waarnemende vermogens onder de inwendige zintuigen, die ook vijf zijn: de gemeenschappelijke zin, die vormen waarneemt; de verbeeldingskracht, die daarvan de opslagplaats is; het inbeeldingsvermogen, dat individuele en betekenissen waarneemt; het geheugen, dat de opslagplaats van de particuliere betekenissen is; en het combinerende vermogen, dat met vormen en betekenissen werkt door ze te scheiden en te verbinden. Deze soort heet de innerlijk ervaren premissen. Wat het zuivere verstand waarneemt, ik bedoel de , valt niet onder deze soort. Een voorbeeld van de tweede soort: zoals wanneer we oordelen dat we honger of dorst hebben.
De vijfde is de ervaringskennis: proposities waarover het verstand een algemeen oordeel velt door middel van herhaalde waarneming en het nooit uitblijven [van het gevolg], zoals het oordeel dat het drinken van scammonia de gal afdrijft.
De zesde zijn de : proposities waarover geoordeeld wordt op grond van berichten van een groep van wie het verstand het onmogelijk acht dat ze het eens zijn geworden over een leugen. Men verschilt over het kleinste aantal van zo'n groep: gezegd is dat het kleinste aantal vier is, of tien, of veertig. De meest waarschijnlijke opvatting is dat het aantal verschilt naargelang de toestand van wie berichten en naargelang de gebeurtenis, zodat er geen vast aantal is; de maatstaf is dat het een punt bereikt dat zekerheid oplevert.
Deze zes zijn de uitgangspunten van de demonstraties, waar het bewijs tot rust komt en de zekerheid haar eindpunt bereikt.
Sommigen hebben beweerd dat overgeleverde niet gebruikt worden in een demonstratief , omdat ze meenden dat fout en vergissing op vele manieren in de overlevering binnensluipen: hoe zouden ze dan uitgangspunten kunnen zijn van een demonstratief syllogisme, dat zekerheid oplevert? Dit vermoeden is een zonde, want overlevering levert heel vaak zekerheid op als daarbij bepaalde voorwaarden in acht genomen worden en het verstand eraan toegevoegd wordt. Ja, als men gezegd had dat louter overlevering, zonder dat het verstand eraan toegevoegd wordt, niet meetelt en niets oplevert, dan zou dat enige grond hebben.
De is er in twee soorten: de demonstratie van het waarom en de demonstratie van het dat. De demonstratie van het waarom is die waarin de de oorzaak is dat de buiten de geest aan de kleine toekomt, zoals hij ook de tussenschakel is in het oordeel; ze heet zo omdat ze het waarom geeft, dat wil zeggen: de oorzaak. De demonstratie van het dat is die waarin de middenterm alleen in de geest de oorzaak van het oordeel is, en buiten de geest niet de oorzaak is; hij kan er zelfs het gevolg van zijn. Een voorbeeld van de demonstratie van het waarom is: “Zayd heeft koorts, want zijn lichaamssappen zijn bedorven; en ieder bij wie de lichaamssappen bedorven zijn, heeft koorts; dus Zayd heeft koorts.” Zoals in dit de middenterm de oorzaak is dat de koorts in je geest aan Zayd toegekend wordt, zo is hij ook de oorzaak dat de koorts buiten de geest bestaat. Een voorbeeld van de demonstratie van het dat is: “Zayds lichaamssappen zijn bedorven, want hij heeft koorts; en bij ieder die koorts heeft, zijn de lichaamssappen bedorven; dus Zayds lichaamssappen zijn bedorven.” Het bestaan van de koorts is in je geest de oorzaak dat vastgesteld wordt dat zijn lichaamssappen bedorven zijn, maar het is niet de oorzaak in de zaak zelf; buiten de geest kan het juist andersom zijn.
· p. 50
Les 21 · Dialectiek, retoriek, poëtica en sofistiek
Het dialectische is een syllogisme dat bestaat uit die algemeen aanvaard zijn of door de tegenstander toegegeven worden, of ze nu waar zijn of onwaar. De eerste zijn premissen waarover de opvattingen van een volk overeenstemmen: ofwel vanwege een algemeen belang, zoals “Rechtvaardigheid is goed”, “Onrecht is slecht” en “Het doden van de dief is verplicht”; ofwel uit tederheid van hart, zoals de uitspraak van de mensen van India: “Dieren slachten is laakbaar”; ofwel vanwege aandoeningen van karakter of temperament. Want temperamenten en gewoonten hebben een groot aandeel in overtuigingen: mensen met een fel temperament vinden wraak nemen op kwaaddoeners goed, en mensen met een zacht temperament vinden vergeving beter. Daarom zie je dat mensen verschillen in gewoonten en gebruiken; elk volk heeft zijn eigen algemeen aanvaarde premissen, en zo ook elke kunst. Tot de algemeen aanvaarde premissen van de grammatici horen: “Het agens staat in de nominatief, het object in de accusatief, en het tweede lid van een genitiefverbinding in de genitief”; en tot die van de geleerden van de grondslagen van het recht: “Een gebod duidt op een verplichting.” De tweede zijn premissen die samengesteld zijn uit wat tussen de twee twistende partijen toegegeven is. Algemeen aanvaarde premissen lijken op ; het vrijmaken van de geest en zorgvuldig nadenken onderscheiden ze. Het doel van de kunst van de is de tegenstander [aan een toegeving] te binden en de eigen opvatting te beschermen.
Het retorische is een syllogisme dat waarschijnlijkheid oplevert. Zijn zijn ofwel aanvaard van wie men vertrouwt: overgenomen van mensen over wie men een goede mening heeft, zoals de heiligen en de wijsgeren. Wat van de profeten overgenomen is – over hen en over onze Profeet zij zegen en vrede – is geen , omdat het ware berichten zijn van een waarachtige berichtgever wiens waarachtigheid door het wonder aangetoond wordt; daarin is geen ruimte voor inbeelding, zodat fout en gebrek erin zouden kunnen binnensluipen. Een syllogisme dat daaruit bestaat, is dus demonstratief, met premissen die zeker zijn. Ofwel [zijn de premissen] vermoedens, waarover geoordeeld wordt omdat ze de overhand hebben. Daaronder vallen , ervaringskennis en die het niveau van vaste overtuiging niet bereikt hebben, omdat de oorzaak niet waargenomen wordt of omdat het aantal berichtgevers de omvang van overvloedige overlevering niet bereikt heeft. Deze kunst heeft groot nut voor het ordenen van de zaken van dit leven en het regelen van de bepalingen van het hiernamaals, door haar te gebruiken of door zich ervoor te hoeden. Daarom gebruiken de grote wijsgeren deze kunst vaak en vermanen ze grote menigten met retorische taal. De premissen die daarin gebruikt worden, moeten de toehoorders overtuigen en nuttig zijn voor wie vermanen.
Het poëtische is een syllogisme dat bestaat uit verbeeldingen – waar of onwaar, onmogelijk of mogelijk – die op de ziel inwerken met beklemming of verruiming. De ziel geeft toe aan verbeelding zoals ze toegeeft aan , en zelfs meer. Het doel van deze kunst is dat de ziel bewogen wordt door afschrikken en aanlokken. Voor poëzie wordt als voorwaarde gesteld dat de woorden de regels van de taal volgen en fijne, aangename metaforen en sierlijke, voortreffelijke vergelijkingen bevatten, zodat ze op een wonderlijke manier op de ziel inwerken en er een toestand in teweegbrengen die verdriet of vreugde brengt. Bovendien is het gebruik van ware daarin niet toegestaan, en wordt het gebruik van onware verbeeldingen goed gevonden, zoals de gnosticus van Ganja [Niẓāmī] zei, toen hij zich in een vers richtte tot zijn zoon, zijn eigen vlees en bloed (letterlijk “het stuk van zijn lever”): “در شعر مپیچ و در فن او * چون اکذب اوست احسن او” [“Raak niet verstrikt in de poëzie en haar kunst, / want het leugenachtigste ervan is het mooiste ervan”]. En zoals in de woorden van iemand die oude wijn beschrijft: “لَها البَدْرُ كَأْسٌ وَهْيَ شَمْسٌ يُدِيرُها * هِلالٌ، وَكَمْ يَبْدُو إِذا مُزِجَتْ نَجْمُ” [“De volle maan is haar beker, en zij is een zon die een maansikkel laat rondgaan; / en hoeveel sterren verschijnen er als ze gemengd wordt!”]. En de dichter zei in een vers: “لا تَعْجَبُوا مِنْ بِلَى غِلالَتِهِ * قَدْ زُرَّ أَزْرارُهُ عَلَى القَمَرِ” [“Verwonder je niet dat zijn hemd verslijt: / zijn knopen zijn dichtgeknoopt over de maan”]. Hij vergeleek de geliefde met de maan en zei: verwonder je niet dat zijn hemd scheurt, want hij is een maan over wie het hemd dichtgeknoopt is, en bij elke maan van die soort scheurt het hemd; dat levert op: het hemd van de geliefde scheurt. Het kan zelfs het samengaan van twee tegenstrijdigen opleveren, zoals in: “Ik verberg mijn noden met mijn tong en toon ze met mijn tranen; ieder die zijn noden verbergt, zwijgt, en ieder die ze toont, spreekt”, wat oplevert: “Ik zwijg en spreek.” Metrum is voor de meesters van de weegschaal [de logici] geen voorwaarde van poëzie, al geeft het haar wel schoonheid. Wanneer poëtische taal met een aangename stem voorgedragen wordt, neemt haar uitwerking op de zielen toe, totdat een overmaat aan verrukking soms de tulbanden van de hoofden doet vallen. De eerste Griekse wijsgeren waren van alle mensen het meest op poëzie gesteld.
Het sofistische is een syllogisme dat bestaat uit onware inbeeldingen, verzonnen door het inbeeldingsvermogen, zoals oordelen over wat niet zintuiglijk waarneembaar is naar van wat wel waarneembaar is, zoals in “Alles wat bestaat, kan aangewezen worden.” Inbeeldingen lijken sterk op ; als het verstand en de geopenbaarde wet het oordeel van het inbeeldingsvermogen niet afwezen, zou de verwarring tussen beide blijven bestaan. Ofwel [bestaat het] uit onware die op ware lijken – schijnwaarheden –: waarvan het verstand gelooft dat ze eerste beginselen zijn, of algemeen aanvaard, of aanvaard van wie men vertrouwt, of toegegeven, omdat ze daarop lijken in formulering of in betekenis, en die zo tot fouten leiden. Deze kunst is vals en bedrieglijk, niet nuttig, maar wel nuttig: wie haar beheerst, vergist zich niet en wordt niet misleid, en hij is in staat anderen te misleiden en hen ermee op de proef te stellen of tegen hen te twisten. Stelt wie deze kunst beheerst zich [daarmee] tegenover de wijsgeer, dan heet hij een sofist, en deze kunst sofisterij, dat wil zeggen: een bedrieglijke, opgepoetste wijsheid; anders heet hij een ruziezoeker, en dit ruziezoekerij. In beide gevallen vergist wie haar beheerst zich zelf en misleidt hij anderen, en zijn kunst is . Ze is een bedorven syllogisme, ofwel alleen van de kant van de materie, ofwel alleen van de kant van de vorm, ofwel van beide.
Weet dat de oorzaken van fouten, hoe talrijk ook, op twee dingen teruggaan: het eerste is louter slecht begrip, het tweede is dat onware [] voor ware aangezien worden. Het eerste ontstaat alleen doordat de ziel ondergedompeld is in de duisternis van de inbeelding, totdat ze onware proposities voor zeker waar houdt, of zelfs voor noodzakelijk, zoals in: “Alles wat niet zichtbaar is, is geen lichaam, dus lucht is geen lichaam.” Het tweede vraagt om een gedetailleerde uiteenzetting, zoals nog zal komen. Een van de grondige geleerden zei: ze gaan terug op één ding, namelijk het niet onderscheiden tussen iets en wat erop lijkt, en verder niets.
Het niet onderscheiden tussen iets en wat erop lijkt, wordt verdeeld in wat de betreft en wat de betekenissen betreft. De eerste soort, ik bedoel wat de uitingen betreft, is tweeërlei: de eerste betreft de uitingen niet met het oog op hun samenstelling, de tweede betreft ze met het oog op hun samenstelling. Wat de uitingen niet met het oog op samenstelling betreft, is weer tweeërlei. De eerste betreft de uitingen zelf: de uitingen verschillen in wat ze aanduiden, zodat er verwarring ontstaat over wat bedoeld is. Een voorbeeld is de fout die ontstaat doordat een uiting een homoniem is [één woord] voor twee of meer betekenissen, of doordat een van haar betekenissen letterlijk is en de andere figuurlijk; daaronder vallen de metafoor en dergelijke, en dit alles heet homonymie. Zoals wanneer men van een waterbron zegt: “Dit is een ʿayn, en door elke ʿayn wordt de wereld verlicht; dus door deze ʿayn wordt de wereld verlicht”; of men zegt: “Zayd is een leeuw, en elke leeuw heeft klauwen; dus Zayd heeft klauwen.” De fout in het eerste is dat het woord ʿayn een homoniem is voor een waterbron en de zon; in het tweede dat het woord “leeuw” figuurlijk op Zayd toegepast wordt, terwijl het letterlijk op het verscheurende dier toegepast wordt. De tweede betreft de uitingen vanwege hun vormleer, zoals de verwarring die ontstaat bij het woord mukhtār: heeft het de betekenis van het actief deelwoord [“die kiest”], dan is de grondvorm mukhtayir, met i op de yāʾ, en heeft het de betekenis van het passief deelwoord [“gekozen”], dan is de grondvorm mukhtayar, met a erop. Of [de verwarring ontstaat] door de punten en de naamvalsuitgangen, zoals wanneer iemand “غلام حسن” (ghulām ḥasan) zegt zonder naamvalsuitgangen, en het de ene keer opgevat wordt als een naamwoord met een bijvoeglijk naamwoord [“een knappe jongen”] en de andere keer als een genitiefverbinding [“Ḥasans jongen”].
Wat de uitingen met het oog op samenstelling betreft, komt ofwel door een verschil in waarnaar [een voornaamwoord] verwijst, zoals in “Wat de wijsgeer weet, hij handelt naar wat hij weet”: verwijst het voornaamwoord naar de wijsgeer, dan is het waar; anders [als het naar het geweten ding verwijst] is het onwaar. Ofwel komt het door het scheiden van wat samengesteld is, zoals in “De pomerans is zoetzuur”, wat waar is; maar wordt het gescheiden en zegt men “Dit is zoet, en [het is] zuur”, dan is het niet waar. Ofwel komt het door het samenvoegen van wat gescheiden is, zoals in “Zayd is arts, en [hij is] bekwaam”, wat waar is; maar wordt het samengevoegd en zegt men “[Hij is] een bekwame arts”, dan is het onwaar.
Ook deze zijn er in verschillende soorten, want ze ontstaan ofwel uit de materie ofwel uit de vorm. Die welke uit de materie ontstaan: zoals wanneer [een redenering] zo is dat ze, als de betekenissen erin zo geordend worden dat ze waar is, geen is, en als ze zo geordend worden dat ze een syllogisme is, niet waar is. Bijvoorbeeld: “De mens is redelijk voor zover hij redelijk is, en niets redelijks is, voor zover het redelijk is, een dier; dus geen mens is een dier.” Want wordt de beperking “voor zover hij redelijk is” behouden, dan is de onwaar; wordt ze daaruit weggelaten, dan is de onwaar; en wordt ze uit de kleine premisse weggelaten en in de grote behouden, dan valt de vorm van het syllogisme uiteen, omdat [de ] niet gemeenschappelijk is. Die welke uit de vorm ontstaan: zoals wanneer [een redenering] een vorm heeft die niets oplevert; dat alles is gebrekkige samenstelling. Bijvoorbeeld iemands uitspraak: “De tijd omvat de gebeurtenissen, en de hemelsfeer omvat ze ook”, wat oplevert: “Dus de tijd is de hemelsfeer.” Dit is de tweede , en de voorwaarde dat de twee verschillen in bevestiging en ontkenning ontbreekt erin, want hier zijn ze allebei bevestigend. Nu noemen we enkele drogredenen waarvan de oorzaak een gebrek in de vorm is. We zeggen: tot de formele drogredenen hoort het vooronderstellen van het gezochte, zoals in “Zayd is een mens, want hij is een mensenkind, en elk mensenkind is een mens.” Daartoe hoort ook: wat zo is, nemen in plaats van wat zo is, zoals in “Wie in het schip zit, beweegt, en niets wat beweegt, blijft op één plaats.” Daartoe hoort ook dat de middenterm niet volledig herhaald wordt, zoals wanneer men zegt: “De mens heeft haar, en al het haar groeit [als een plant]”, wat oplevert: “De mens groeit [als een plant].” Want de middenterm is “heeft haar”, en die is niet volledig het van de grote premisse gemaakt. Daartoe hoort ook dat de middenterm in de twee premissen niet gelijk is, omdat hij verschilt naar aanleg en daad, zoals in “De zwijgende is een spreker, en de spreker zwijgt niet”, wat oplevert: “De zwijgende zwijgt niet.” Daartoe hoort ook een gebrek in de constructie dat voortkomt uit twijfel of een beperking bij het subject of bij het hoort, zoals hun uitspraak: “Alleen de mens lacht, en alles wat lacht, is een dier”, wat oplevert: “Alleen de mens is een dier.” De fout ontstond alleen door de inbeelding dat het woord “alleen” deel van het subject is. Had men het tot deel van het predicaat gemaakt en gezegd: “De mens is: wat als enige lacht; en alles wat als enige lacht, is een dier”, dan zou de conclusie waar zijn, want die zou dan zijn: “De mens is een dier.” De fout in dit voorbeeld komt dus van een verkeerde opvatting van de predicatie. Daartoe hoort ook dat de in de grote premisse niet van alle individuen van de middenterm gezegd wordt, zoals wanneer men zegt: “Elke mens is een dier, en dier is algemeen, of een , of wordt gezegd van velen die in hun verschillen”, wat oplevert: “Elke mens is algemeen, of een geslacht, of wordt gezegd van velen die in hun werkelijkheid verschillen.” Dat is zeker onwaar. De oorzaak van de fout is alleen dat de algemeenheid van de grote premisse verwaarloosd wordt: de grote premisse is een natuurlijke , dus het oordeel gaat niet over [op de individuen]. Daartoe hoort ook [de fout] die ontstaat doordat de koppelwoorden vóór of na de ontkenningen staan, en evenzo doordat de modaliteit vóór of na de ontkenningen staat: zoals in “Zayd is niet staand” (Zayd laysa huwa bi-qāʾim) en “Zayd is niet-staand” (Zayd huwa laysa bi-qāʾim); “noodzakelijk is het niet zo” en “het is niet noodzakelijk zo”; en “het is niet vereist dat het zo is” [tegenover] “het is vereist dat het niet zo is”. Ook het opstapelen van ontkenningen hoort tot dit hoofdstuk: de even graden, zoals de ontkenning van een ontkenning, en de ontkenning van de ontkenning van de ontkenning van een ontkenning, zijn bevestiging; en de oneven graden, zoals de ontkenning van de ontkenning van een ontkenning, enzovoort, zijn ontkenning. Daartoe hoort ook: beschouwingen van de geest en verstandelijke predicaten opvatten als dingen in de buitenwereld, zoals wanneer men zegt: “De mens is een ”, en meent dat dat zo is in de dingen buiten de geest. Die mening is niet juist, want universaliteit komt de dingen alleen in de geest toe, niet daarbuiten. Door dit inzicht wordt nog een drogreden opgelost. Die gaat zo: “Het onmogelijke bestaat; want als iets buiten [de geest] onmogelijk was, zou zijn onmogelijkheid buiten [de geest] bestaan, en dus zou het onmogelijke buiten [de geest] bestaan.” Dan zou volgen dat het onmogelijke bestaat, en dat is zeker onwaar. De oplossing: onmogelijkheid is een beschouwing van de geest; dat iets daardoor gekenmerkt wordt, vereist niet dat [de onmogelijkheid] buiten bestaat, zodat zou volgen dat wat erdoor gekenmerkt wordt buiten bestaat. Daartoe hoort ook: het beeld van iets nemen in plaats van het ding zelf, zoals wanneer men van een beeld van vuur zegt: “Het is vuur, en al het vuur brandt, dus het brandt.” Op deze verwarring beriepen zich de ontkenners van het bestaan in de geest, toen ze zeiden: als de dingen zelf [in de geest] aanwezig waren, zou de geest moeten branden wanneer hij zich vuur voorstelt, doorboord worden wanneer hij zich een berg voorstelt, en wit en zwart worden wanneer hij zich wit en zwart voorstelt, enzovoort. De oplossing is dat dit hoort bij het nemen van wat accidenteel zo is in plaats van wat essentieel zo is. Dat wil zeggen: branden, doorboren en dergelijke horen bij de die een ding toekomen wanneer het bestaat met het oorspronkelijke bestaan buiten de geest; ze horen niet bij de accidenten van het schaduwbestaan in de geest. Daartoe hoort ook: een deel van de oorzaak nemen in plaats van de oorzaak, zoals wanneer zeventig mannen een zware steen, zeg, zeventig parasangen dragen, en men zich inbeeldt dat één van hen hem alleen één parasang zou dragen. Daartoe hoort ook: het argument van ‘des te meer’ toepassen waar [de twee gevallen] verschillen, zoals wanneer men zegt: “De mens heeft niet meer aanspraak dan de mus op het ontvangen van de redelijke ziel, aangezien beide het dier-zijn delen.” Daartoe hoort ook wat ontstaat uit onachtzaamheid ten aanzien van de opzichten [waarin iets gezegd wordt] en het niet letten daarop, zoals in iemands uitspraak: “Bij alles wat wit is, maakt witheid deel uit van zijn werkelijkheid, en Zayd is wit”, zodat witheid deel van zijn werkelijkheid zou moeten uitmaken. De bron van de fout is hier dat witheid in het begrip ‘wit’ ligt voor zover het wit is, niet voor zover het een dier en een mens is. Daartoe hoort ook hun uitspraak: wat lijkt op iets dat op iets anders lijkt, lijkt daar ook op; zoals in “De mens lijkt op de dadelpalm, en de dadelpalm lijkt op de steen in het niet bezield zijn”, zodat zou volgen dat Zayd levenloos is. Wat hier misleidt, is dat de gelijkenis van de dadelpalm met de mens in één ding ligt, zeg de lengte, en zijn gelijkenis met de steen in iets anders. Tot wat tot fouten leidt, hoort ook: het ontbreken dat tegenover het bezit staat, nemen in plaats van het tegengestelde en het . Zo is rust: het ontbreken van beweging bij wat geschikt is om te bewegen; en zo is blindheid: het ontbreken van zien bij wat geschikt is om te zien. Dan meent men dat de steen in rust is en de muur blind. Tot de bekende drogredenen hoort hun uitspraak: iets onbekends kan niet worden. Want als dat onbekende verkregen is, waardoor zou men dan weten dat het is wat je zocht? Dus ofwel moet de onwetendheid blijven, ofwel moet de kennis [ervan] al vooraf bestaan, zodat je herkent dat het dat is; en in beide gevallen is het verwerven ervan onmogelijk: in het eerste, omdat het onmogelijk is het te herkennen als het gevonden wordt; in het tweede, omdat het onmogelijk is te verwerven wat al verworven is. Het antwoord is dat wat gezocht wordt, in één opzicht bekend is en in een ander opzicht onbekend. Nadat het onbekende verkregen is, weet men dus, door het bekende opzicht dat het onderscheidt, dat het is wat gezocht werd. Dit is als een weggelopen slaaf wanneer hij gevonden wordt: hij was bekend in zijn persoon en onbekend in zijn verblijfplaats; zodra hij gevonden was, herkende je, door wat je al van zijn persoon en zijn uiterlijk wist, dat hij jouw weggelopen slaaf was.
Als geen enkele waar was, zou “Zayd staat” niet waar zijn; en telkens wanneer “Zayd staat” niet waar is, is het ervan, ik bedoel “Zayd staat niet”, waar. Dat levert op: telkens wanneer geen enkele propositie waar is, is “Zayd staat niet” waar; en toch is dat een van de proposities. De oplossing: de situaties die in de genomen worden – ik bedoel je woorden “Telkens wanneer ‘Zayd staat’ niet waar is, is het tegenstrijdige ervan, ik bedoel ‘Zayd staat niet’, waar” – zijn ofwel feitelijk ofwel algemener. Zijn ze feitelijk, dan wordt de waarheid ervan toegegeven, maar [het geval van de ] valt er niet onder: want het oordeel in de kleine premisse gaat alleen over veronderstelde, niet-feitelijke situaties, en dat noodzakelijk, omdat het tot het onmogelijke behoort dat helemaal geen enkele propositie waar is. Dat is noodzakelijk zo, omdat onze uitspraak “Het Noodzakelijke [Wezen] bestaat”, of “hoort”, of “ziet” noodzakelijk waar is, zodat het onmogelijk is dat ze niet waar is. Zijn de situaties van de grote premisse algemener, dan geven we haar algemeenheid niet toe: want dat iets onwaar is, brengt alleen in de feitelijkheid mee dat het tegenstrijdige ervan waar is, aangezien bij een onmogelijke veronderstelling beide tegenstrijdigen samen onwaar kunnen zijn, omdat het onmogelijke een ander onmogelijke kan meebrengen. Dicht bij deze drogreden ligt de drogreden van algemene toepassing, waarmee elke bewering die men wil bewezen kan worden, of ze nu waar is of onwaar. We zeggen: de bewering staat vast; want als de bewering niet vaststond, zou het tegenstrijdige ervan vaststaan; en telkens wanneer het tegenstrijdige ervan vaststaat, staat er iets vast. Dat levert op: als de bewering niet vaststond, zou er iets vaststaan. Door wordt dat omgekeerd tot: als er niets vaststond, zou de bewering vaststaan; en toch is [de bewering] iets. Dat is ongerijmd. Denkers zijn in verlegenheid geraakt bij het oplossen ervan. Sommigen zeggen: we geven niet toe dat deze door deze tot die voorwaardelijke propositie omgekeerd wordt. Hoe zou dat ook kunnen, terwijl het ‘iets’ in het origineel en in de omkering verschilt in algemeenheid en specificiteit? De omkering van deze voorwaardelijke propositie is eerder onze uitspraak: “Telkens wanneer dat ding niet vaststaat, staat de bewering vast”, en dat is waar. Of, als je wilt, formuleer het anders: de omkering van die voorwaardelijke propositie is “Als er niets vaststond binnen het tegenstrijdige van de bewering, zou de bewering vaststaan.” Anderen antwoorden dat het in de omkering onmogelijk is, en dat het onmogelijke zijn eigen tegenstrijdige kan meebrengen; er volgt dus niets ongerijmds. Dit hoofdstuk is uitvoerig behandeld omdat de handboeken die in dit vak geschreven zijn en die men in deze tijd van mij gewoonlijk leest, geen gedetailleerde behandeling van het hoofdstuk over de bevatten. Daarom vond ik het goed deze verhandeling van mij daarmee te tooien, zodat ze de leerlingen tot nut is en de studenten van dienst.
Men moet weten dat, als een van de twee van een niet demonstratief is, maar dialectisch, retorisch, poëtisch of iets anders, het syllogisme ook niet demonstratief is; en hetzelfde geldt voor het dialectische syllogisme en zijn tegenhangers. Kortom: wat samengesteld is uit het sterkere en het zwakkere, is zwakker. Hiermee is de bespreking van de vijf kunsten voltooid, en daarmee zijn de doelen van het vak in zijn beide soorten voltooid, ik bedoel wat naar leidt en wat naar leidt.
Elke wetenschap heeft drie dingen. Het eerste is het onderwerp: datgene waarvan de , die het toekomen, in de wetenschap onderzocht worden; zoals het menselijk lichaam voor de geneeskunde, het woord en de zin voor de grammatica, de continue grootheid voor de meetkunde, en wat door gekend wordt en wat door gekend wordt voor deze kunst van mij. Men moet weten dat noch het bestaan van het onderwerp noch zijn wezen onderzocht wordt in de wetenschap waarvan het het onderwerp is. De arts onderzoekt het menselijk lichaam dus niet voor zover het bestaat, een groeiend lichaam is of een redelijk dier; en de grammaticus onderzoekt niet de van het woord en de zin. Daarom, omdat het onderwerp van de natuurwetenschap het lichaam als zodanig is, en de meester van dit vak de besprekingen van de oermaterie en de vorm in de natuurwetenschappen uiteenzet, is tegen hem de moeilijkheid ingebracht dat oermaterie en vorm tot de delen en bestanddelen van het lichaam horen: hoe kan hij deze besprekingen dan in de natuurwetenschappen uiteenzetten? Het excuus dat namens hem gegeven wordt, is dat deze besprekingen uitweidingen zijn. Het tweede zijn de beginselen. De beginselen zijn datgene waarop de vraagstukken gebouwd worden. Ze behoren ofwel tot de voorstelling: definities die gegeven worden van het onderwerp van de kunst, van zijn delen, zijn afzonderlijke gevallen en zijn essentiële accidenten; ofwel tot de instemming: de waaruit haar syllogismen bestaan. Die zijn ofwel vanzelfsprekend, en heten dan axioma's; ofwel niet vanzelfsprekend maar en toegegeven. Worden ze toegegeven uit een goede mening over wie ze naar voren bracht, dan heten ze gestelde grondslagen; worden ze met tegenzin toegegeven, dan heet [zo'n premisse] een postulaat. Het derde zijn de vraagstukken: wat de wetenschap bevat en wat ze met bewijs probeert vast te stellen.
Weet dat de ouden aan het begin van boeken acht dingen noemden, die ze de acht hoofdpunten noemden. Het eerste is het doel, ik bedoel de doeloorzaak, zodat de lezer niet doelloos bezig is. Het tweede is het nut, zodat de moeite van het verwerven [van de wetenschap] hem lichter valt. Het derde is de naam, ik bedoel de titel van de wetenschap, zodat de lezer een samenvatting heeft van wat het doel uitvoerig uiteenzet. Het vierde is de auteur, zodat het hart van de leerling gerust kan zijn. Het vijfde is de rang die ze inneemt, zodat bekend is vóór welke wetenschap ze moet komen en na welke. Het zesde is tot welke wetenschap ze behoort, zodat gezocht kan worden wat erbij past. Het zevende is de indeling, dat wil zeggen: de hoofdstukken van de wetenschap en van het boek. Het achtste zijn de wijzen van onderricht: indeling, ontleding, definitie en , zodat bekend is of het boek ze allemaal bevat of sommige. Ik zeg – en ik ben Muḥammad Faḍl-i Imām al-Khayrābādī –: dit is het einde van wat we in deze verhandeling wilden verzamelen en samenstellen uit de boeken van de ouden en de woorden van de latere geleerden. Het doel van deze samenstelling is niets anders dan het onderricht van beginners en het gemakkelijk maken van de zaak voor studenten. Heeft dit haastige werk je dus ook maar een beetje genut, gretige student, vergeet mij dan niet in een gebed om een goed einde en om redding uit al-Ḥāṭima [het Verpletterende Vuur]. Moge God zegen schenken aan onze meester Muḥammad, het Zegel van de Profeten, in het begin en aan het einde, uiterlijk en innerlijk; en lof zij God, de Heer van de werelden.