وأَمَّا القياسُ الاستثنائيُّ: فالشرطيةُ الموضوعةُ فيه إن كانت متصلةً موجبةً لزوميةً، فاستثناءُ عينِ المقدَّمِ يُنتِجُ عينَ التالي كقولنا: إن كان هذا إنساناً فهو حيوانٌ لكنَّهُ إنسانٌ فهو حيوانٌ، واستثناءُ نقيضِ التالي يُنتِجُ نقيضَ المُقدَّمِ كقولنا: إن كانت الشمسُ طالعةً فالنهارُ موجودٌ لكنَّ النَّهارَ ليسَ بموجودٍ فالشمسُ ليست بطالعةٍ، وإن كانت منفصلةً حقيقيةً، فاستثناءُ عينِ أحدِ الجُزئيين يُنتِجُ نقيضَ الآخر، واستثناءُ نقيضِ أحدِهما يُنتِجُ عينَ الآخرِ.
لمَّا فرغَ المصنِّفُ من بيانِ القياسِ الاقتراني شرعَ في بيان القياس الاستثنائيِّ، فنقولُ: القياسُ الاستثنائيُّ مركَّبٌ دائماً من مُقدِّمتين أحدهما شرطية، والأخرى وضعُ أحدِ جُزئيها أي إثباتُهُ، أو رفعُهُ، ليلزمَ وضعُ الجزءِ الأخرِ إثباتَهُ، أو رفعَهُ سواءٌ كانتْ متصلةً أو منفصلةً، أَمَّا إن كانت متصلةً، فكقولنا: إن كانت الشمسُ طالعةً فالنهارُ موجودٌ لكنَّ الشمسَ طالعةٌ، ينتجُ أنَّ النهارَ موجودٌ، ولو قلنا: لكنَّ النهارَ ليس بموجودٍ، ينتجُ: أنَّ الشمسَ ليست بطالعةٍ، وإن كانت منفصلةً فكقولنا: دائماً إما أن يكون العددُ زوجاً أو فرداً لكنَّ هذا العددَ زوجٌ، ينتجُ أنه ليس بفردٍ، ولو قلنا: لكنَّهُ ليسَ بزوجٍ، ينتجُ أنه فردٌ، وإذا عرفتَ هذا فنقول: الشَّرطيةُ الموضوعةُ في القياس الاستثنائيِّ إن كانت متصلةً، فاستثناءُ عينِ المُقدَّمِ يُنتِجُ عينَ التالي، وإلا لزمَ انفكاكُ اللازمِ عن الملزومِ فيبطلُ الملازمةُ، واستثناءُ نقيضِ التالي ينتجُ نقيضَ المقدمِ، وإلا لزم وجودُ الملزومِ بدون اللازمِ، فيبطلُ الملازمةُ أيضاً كما رأيتَهُ في المثالِ الأول، وإن كانت الشرطيةُ الموضوعةُ في القياس الاستثنائيِّ منفصلةً، فاستثناءُ عينِ أحدِ الجزئين سواءٌ كان مقدّماً أو تالياً، ينتجُ نقيضَ الآخرِ لامتناع الجمع بينهما، واستثناءُ نقيضِ أحدهما أي أحدِ الجزئين كذلك ينتجُ عينَ الآخرِ، لامتناع الخُلو بينهما كما رأيته في المثال الثاني، فعليك بالتأمل في المثالين المذكورين، هذا إذا كانت المنفصلةُ حقيقيةً، وإن شئتَ أن تُدرِكَ البحثَ بكمالهِ في المنفصلات فارجع إلى الرسائلِ المطوَّلة.
Nu de auteur klaar is met de uitleg van het , begint hij met de uitleg van het . We zeggen dus: het uitzonderende syllogisme bestaat altijd uit twee . De ene is een ; de andere stelt een van haar twee delen – dat wil zeggen: bevestigt het – of heft het op, zodat daaruit volgt dat het andere deel gesteld (bevestigd) of opgeheven wordt, of [de voorwaardelijke propositie] nu verbindend is of . Is ze verbindend, dan is het zoals onze uitspraak: “Als de zon opgekomen is, is het dag; maar de zon is opgekomen”, wat oplevert: “dat het dag is”; en zeggen we “maar het is geen dag”, dan levert het op: “dat de zon niet opgekomen is”. Is ze disjunctief, dan is het zoals onze uitspraak: “Altijd geldt: een getal is even of oneven; maar dit getal is even”, wat oplevert: “dat het niet oneven is”; en zeggen we “maar het is niet even”, dan levert het op: “dat het oneven is”. Nu dit bekend is, zeggen we: is de voorwaardelijke propositie in het uitzonderende syllogisme verbindend, dan levert het bevestigen van het het op; anders zou wat eruit volgt los komen te staan van datgene waaruit het volgt, en zou de vaste samenhang wegvallen. En het bevestigen van het van het consequent levert het tegenstrijdige van het antecedent op; anders zou datgene waaruit iets volgt bestaan zonder wat eruit volgt, en zou de vaste samenhang opnieuw wegvallen, zoals we in het eerste voorbeeld zagen. Is de voorwaardelijke propositie in het uitzonderende syllogisme disjunctief, dan levert het bevestigen van een van de twee delen – of het nu het antecedent is of het consequent – het tegenstrijdige van het andere op, omdat die twee niet samen waar kunnen zijn. En het bevestigen van het tegenstrijdige van een van beide – dat wil zeggen: van een van de twee delen – levert evenzo het andere op, omdat die twee niet allebei kunnen ontbreken, zoals we in het tweede voorbeeld zagen. Denk dus goed na over de twee gegeven voorbeelden. Dit geldt als de disjunctieve echt is; wie de volledige bespreking van de disjunctieve proposities wil begrijpen, kan zich wenden tot de uitvoerige verhandelingen.
Sharḥ Īsāghūjī · p. 72