Home / Indian path · level 2 / Les 4 van 25

Op slot

De enkelvoudige uiting en haar soorten

Terug naar level 3

Preview

A look at lesson 4 of level 2. Level 2 opens after level 1; until then you can read this lesson, but its test and the way on stay closed.

Indian path · level 2 · al-Mirqāt · Les 4 van 25

De enkelvoudige uiting en haar soorten

Uitingen en betekenisaanduiding

الأَلْفَاظ وَالدَّلَالَة

Arabic text after the print of Deoband after 1336/1917 · translation by The Mantiqi, draft

About this text

al-Mirqāt المِرْقاة

Faḍl-i Imām Khayrābādī (d. 1243 or 1244/1828–29)

Text
Arabic: al-Mirqāt, with al-Shīrkūtī's gloss al-Mirʾāt (gloss not reproduced), checked against the Delhi print of 1286/1869 (Sayyid al-Maṭābiʿ); vowel marks added by The Mantiqi (draft), Kutub Khāna Iʿzāziyya, Deoband after 1336/1917 View the scan
Translation
The Mantiqi's own; a draft.
Review
Draft, awaiting review by Ustadh Muhammad Yusuf.

De tekst Faḍl-i Imām Khayrābādī

فَصْلٌ

اللَّفْظُ الدّالُّ إِمّا مُفْرَدٌ وَإِمّا مُرَكَّبٌ؛ فَالمُفْرَدُ ما لا يُقْصَدُ بِجُزْئِهِ الدَّلالَةُ عَلَى جُزْءِ مَعْناهُ، كَدَلالَةِ هَمْزَةِ الاِسْتِفْهامِ عَلَى مَعْناهُ، وَدَلالَةِ «زَيْدٍ» عَلَى مُسَمّاهُ، وَدَلالَةِ «عَبْدِ اللهِ» عَلَى المَعْنَى العَلَمِيِّ؛ وَالمُرَكَّبُ ما يُقْصَدُ بِجُزْئِهِ الدَّلالَةُ عَلَى جُزْءِ مَعْناهُ، كَدَلالَةِ «زَيْدٌ قائِمٌ» عَلَى مَعْناهُ، وَدَلالَةِ «رامِي السَّهْمِ» عَلَى فَحْواهُ. ثُمَّ المُفْرَدُ عَلَى أَنْحاءٍ ثَلاثَةٍ؛ لِأَنَّهُ إِنْ كانَ مَعْناهُ مُسْتَقِلًّا بِالمَفْهُومِيَّةِ، أَيْ لَمْ يَكُنْ فِي فَهْمِهِ مُحْتاجًا إِلَى ضَمِيمَةٍ فَهُوَ اسْمٌ إِنْ لَمْ يَقْتَرِنْ ذٰلِكَ المَعْنَى بِزَمانٍ مِنَ الأَزْمِنَةِ الثَّلاثَةِ، وَكَلِمَةٌ إِنِ اقْتَرَنَ بِهِ؛ وَإِنْ لَمْ يَكُنْ مَعْناهُ مُسْتَقِلًّا فَهُوَ أَداةٌ فِي عُرْفِ المِيزانِيِّينَ، وَحَرْفٌ فِي اصْطِلاحِ النَّحْوِيِّينَ، هٰذا.

Een aanduidende is ofwel ofwel samengesteld. Een enkelvoudige uiting is een uiting waarvan een deel niet bedoeld is om een deel van haar betekenis aan te duiden, zoals de vraag-hamza die haar betekenis aanduidt, “Zayd” dat aanduidt wie ermee genoemd wordt, en “ʿAbd Allāh” dat zijn betekenis als eigennaam aanduidt. Een is een uiting waarvan een deel bedoeld is om een deel van haar betekenis aan te duiden, zoals “Zayd staat” dat zijn betekenis aanduidt, en “werper van de pijl” dat aanduidt wat het overbrengt. Verder is de enkelvoudige uiting er in drie soorten. Want als haar betekenis zelfstandig begrepen wordt – dat wil zeggen: als er voor het begrijpen ervan niets bij gevoegd hoeft te worden –, dan is ze een naamwoord als die betekenis niet verbonden is met een van de drie tijden, en een kalima [het werkwoord van de logici] als ze daar wel mee verbonden is. Is haar betekenis niet zelfstandig, dan is ze een hulpwoord in het gebruik van de logici en een partikel in de vaktaal van de grammatici. Let hierop.

al-Mirqāt · p. 10

فَصْلٌ

اِعْلَمْ أَنَّهُ قَدْ ظَنَّ بَعْضُهُمْ أَنَّ الكَلِمَةَ عِنْدَ أَهْلِ المِيزانِ هِيَ ما يُسَمَّى فِي عِلْمِ النَّحْوِ بِالفِعْلِ، وَلَيْسَ هٰذا الظَّنُّ بِصَوابٍ؛ فَإِنَّ الفِعْلَ أَعَمُّ مِنَ الكَلِمَةِ، أَلا تَرَى أَنَّ نَحْوَ «أَضْرِبُ» وَ«نَضْرِبُ» وَأَمْثالَهُ فِعْلٌ عِنْدَ النُّحاةِ، وَلَيْسَ بِكَلِمَةٍ عِنْدَ المَنْطِقِيِّينَ؛ لِأَنَّ الكَلِمَةَ مِنْ أَقْسامِ المُفْرَدِ، وَنَحْوُ «أَضْرِبُ» مَثَلًا لَيْسَ بِمُفْرَدٍ، بَلْ هُوَ مُرَكَّبٌ؛ لِدَلالَةِ جُزْءِ اللَّفْظِ عَلَى جُزْءِ المَعْنَى، فَإِنَّ الهَمْزَةَ تَدُلُّ عَلَى المُتَكَلِّمِ، وَ«ضَرَبَ» عَلَى المَعْنَى الحَدَثِيِّ.

Weet dat sommigen gemeend hebben dat de kalima bij de logici hetzelfde is als wat in de grammatica het werkwoord heet. Die mening is niet juist, want het werkwoord is algemener dan de kalima. Men ziet immers dat een vorm als “aḍribu” (“ik sla”) of “naḍribu” (“wij slaan”) en dergelijke voor de grammatici een werkwoord is, maar voor de logici geen kalima. Want de kalima is een van de soorten , en “aḍribu” bijvoorbeeld is niet enkelvoudig maar samengesteld, omdat een deel van de een deel van de betekenis aanduidt: de hamza duidt de spreker aan, en “ḍaraba” de betekenis van de handeling.

al-Mirqāt · p. 11

فَصْلٌ

قَدْ يُقَسَّمُ المُفْرَدُ بِتَقْسِيمٍ آخَرَ، وَهُوَ أَنَّ المُفْرَدَ إِمّا أَنْ يَكُونَ مَعْناهُ واحِدًا أَوْ يَكُونَ كَثِيرًا، وَالَّذِي لَهُ مَعْنًى واحِدٌ عَلَى ثَلاثَةِ أَضْرُبٍ؛ لِأَنَّهُ لا يَخْلُو إِمّا أَنْ يَكُونَ ذٰلِكَ المَعْنَى مُتَعَيِّنًا مُتَشَخِّصًا أَوْ لَمْ يَكُنْ؛ وَالأَوَّلُ يُسَمَّى عَلَمًا، كَـ«زَيْدٍ» وَ«هٰذا» وَ«هُوَ»، وَالأَوْلَى أَنْ يُسَمَّى هٰذا القِسْمُ بِالجُزْئِيِّ الحَقِيقِيِّ؛ وَالثّانِي، أَيْ ما لا يَكُونُ مَعْناهُ الواحِدُ مُتَشَخِّصًا بَلْ يَكُونُ لَهُ أَفْرادٌ كَثِيرَةٌ، هُوَ ضَرْبانِ: أَحَدُهُما أَنْ يَكُونَ صِدْقُ ذٰلِكَ المَعْنَى عَلَى سائِرِ أَفْرادِهِ عَلَى سَبِيلِ الاِسْتِواءِ مِنْ غَيْرِ أَنْ يَتَفاوَتَ بِأَوَّلِيَّةٍ أَوْ أَوْلَوِيَّةٍ أَوْ أَشَدِّيَّةٍ أَوْ أَزْيَدِيَّةٍ، وَيُسَمَّى هٰذا القِسْمُ بِالمُتَواطِئِ؛ لِتَواطُؤِ أَفْرادِهِ وَتَوافُقِها فِي تَصادُقِ ذٰلِكَ المَعْنَى العامِّ، كَالإِنْسانِ بِالنِّسْبَةِ إِلَى زَيْدٍ وَعَمْرٍو وَبَكْرٍ؛ وَثانِيهِما أَنْ لا يَكُونَ صِدْقُ ذٰلِكَ المَعْنَى العامِّ فِي جَمِيعِ أَفْرادِهِ عَلَى وَجْهِ الاِسْتِواءِ، بَلْ يَكُونُ صِدْقُ ذٰلِكَ المَعْنَى عَلَى بَعْضِ الأَفْرادِ بِالأَوَّلِيَّةِ أَوِ الأَشَدِّيَّةِ أَوِ الأَوْلَوِيَّةِ، وَصِدْقُها عَلَى البَعْضِ الآخَرِ بِأَضْدادِ ذٰلِكَ، كَالوُجُودِ بِالنِّسْبَةِ إِلَى الواجِبِ جَلَّ مَجْدُهُ وَبِالنِّسْبَةِ إِلَى المُمْكِنِ، وَكَالبَياضِ بِالنِّسْبَةِ إِلَى الثَّلْجِ وَالعاجِ، وَيُسَمَّى هٰذا القِسْمُ مُشَكِّكًا؛ لِأَنَّهُ يُوقِعُ النّاظِرَ فِي الشَّكِّ فِي كَوْنِهِ مُتَواطِئًا أَوْ مُشْتَرَكًا.

De wordt soms op een andere manier ingedeeld: haar betekenis is ofwel één ofwel veel. Wat één betekenis heeft, is er in drie soorten, want die betekenis is ofwel bepaald en geïndividueerd, ofwel niet. De eerste heet een eigennaam, zoals “Zayd”, “dit” en “hij”; het is passender deze soort het echte begrip te noemen. De tweede, waarvan de ene betekenis niet geïndividueerd is maar veel individuen heeft, is er in twee soorten. Bij de eerste geldt die betekenis voor al haar individuen gelijkelijk, zonder verschil in voorrang, in grotere gepastheid, in grotere sterkte of in grotere hoeveelheid. Deze soort heet univook [letterlijk: ‘overeenstemmend’], omdat de individuen ervan overeenstemmen en samengaan in het gelden van die algemene betekenis voor hen, zoals “mens” ten opzichte van Zayd, ʿAmr en Bakr. Bij de tweede geldt die algemene betekenis niet gelijkelijk voor al haar individuen: voor sommige individuen geldt ze met voorrang, grotere sterkte of grotere gepastheid, en voor de andere met het tegendeel daarvan, zoals “bestaan” ten opzichte van het noodzakelijk Bestaande – verheven is Zijn glorie – en ten opzichte van het mogelijke, en zoals “witheid” ten opzichte van sneeuw en ivoor. Deze soort heet gegradeerd [letterlijk: ‘twijfel wekkend’], omdat ze wie haar beschouwt aan het twijfelen brengt of ze univook is of homoniem.

al-Mirqāt · p. 11

فَصْلٌ

لِلْمُتَكَثِّرِ المَعْنَى لَهُ أَقْسامٌ عَدِيدَةٌ، وَجْهُ الحَصْرِ أَنَّ اللَّفْظَ الَّذِي كَثُرَ مَعْناهُ إِنْ وُضِعَ ذٰلِكَ اللَّفْظُ لِكُلِّ مَعْنًى ابْتِداءً بِأَوْضاعٍ مُتَعَدِّدَةٍ عَلَى حِدَةٍ يُسَمَّى مُشْتَرَكًا، كَالعَيْنِ وُضِعَ تارَةً لِلذَّهَبِ، وَتارَةً لِلْباصِرَةِ، وَتارَةً لِلرُّكْبَةِ؛ وَإِنْ لَمْ يُوضَعْ لِكُلٍّ ابْتِداءً بَلْ وُضِعَ أَوَّلًا لِمَعْنًى ثُمَّ اسْتُعْمِلَ فِي مَعْنًى ثانٍ لِأَجْلِ مُناسَبَةٍ بَيْنَهُما، فَإِنِ اشْتَهَرَ فِي الثّانِي وَتُرِكَ مَوْضُوعُهُ الأَوَّلُ يُسَمَّى مَنْقُولًا. وَالمَنْقُولُ بِالنَّظَرِ إِلَى النّاقِلِ يَنْقَسِمُ إِلَى ثَلاثَةِ أَقْسامٍ: أَحَدُها المَنْقُولُ العُرْفِيُّ بِاعْتِبارِ كَوْنِ النّاقِلِ عُرْفًا عامًّا، وَثانِيها المَنْقُولُ الشَّرْعِيُّ بِاعْتِبارِ كَوْنِهِ أَرْبابَ الشَّرْعِ، وَثالِثُها المَنْقُولُ الاِصْطِلاحِيُّ بِاعْتِبارِ كَوْنِهِ عُرْفًا خاصًّا وَطائِفَةً مَخْصُوصَةً. مِثالُ الأَوَّلِ كَلَفْظَةِ الدّابَّةِ، كانَ فِي الأَصْلِ مَوْضُوعًا لِما يَدِبُّ عَلَى الأَرْضِ، ثُمَّ نَقَلَهُ العامَّةُ لِلْفَرَسِ أَوْ لِذَواتِ القَوائِمِ الأَرْبَعِ؛ مِثالُ الثّانِي كَلَفْظِ الصَّلاةِ، كانَ فِي الأَصْلِ بِمَعْنَى الدُّعاءِ، ثُمَّ نَقَلَهُ الشّارِعُ إِلَى الأَرْكانِ المَخْصُوصَةِ؛ مِثالُ الثّالِثِ كَلَفْظِ الاِسْمِ، كانَ فِي اللُّغَةِ بِمَعْنَى العُلُوِّ، ثُمَّ نَقَلَهُ النُّحاةُ إِلَى كَلِمَةٍ مُسْتَقِلَّةٍ فِي الدَّلالَةِ غَيْرِ مُقْتَرِنَةٍ بِزَمانٍ مِنَ الأَزْمِنَةِ الثَّلاثَةِ. وَإِنْ لَمْ يَشْتَهِرْ فِي الثّانِي وَلَمْ يُتْرَكِ الأَوَّلُ، بَلْ يُسْتَعْمَلُ فِي المَوْضُوعِ الأَوَّلِ مَرَّةً وَفِي الثّانِي أُخْرَى، يُسَمَّى بِالنِّسْبَةِ إِلَى الأَوَّلِ حَقِيقَةً، وَبِالنِّسْبَةِ إِلَى الثّانِي مَجازًا، كَالأَسَدِ بِالنِّسْبَةِ إِلَى الحَيَوانِ المُفْتَرِسِ وَالرَّجُلِ الشُّجاعِ، فَهُوَ بِالنِّسْبَةِ إِلَى الأَوَّلِ حَقِيقَةٌ، وَبِالنِّسْبَةِ إِلَى الثّانِي مَجازٌ.

Een met veel betekenissen heeft meerdere soorten. De redenering achter de indeling is deze. Als een uiting met veel betekenissen voor elke betekenis van meet af aan is vastgesteld, door meerdere afzonderlijke vaststellingen, heet ze homoniem, zoals “ʿayn”, dat eens werd vastgesteld voor goud, eens voor het oog en eens voor de knie. Is ze niet voor elke betekenis van meet af aan vastgesteld, maar eerst voor één betekenis en daarna gebruikt voor een tweede betekenis vanwege een verwantschap tussen beide, dan heet ze overgedragen als ze in de tweede betekenis bekend werd en haar eerste betekenis werd verlaten. Naar wie haar overdroeg, wordt de overgedragen uiting in drie soorten verdeeld. De eerste is de overgedragen uiting van het spraakgebruik: de overdrager is het algemene spraakgebruik. De tweede is de wettelijk overgedragen uiting: de overdragers zijn de kenners van de Sharīʿa. De derde is de vaktechnisch overgedragen uiting: de overdrager is een bijzonder spraakgebruik, een bepaalde groep. Een voorbeeld van de eerste is het woord “dābba”: het was oorspronkelijk vastgesteld voor alles wat over de aarde kruipt [yadibbu], en daarna droegen de gewone mensen het over op het paard, of op viervoeters. Een voorbeeld van de tweede is het woord “ṣalāh”: het betekende oorspronkelijk smeekbede, en daarna droeg de Wetgever het over op de bepaalde reeks handelingen [van het gebed]. Een voorbeeld van de derde is het woord “ism” [naamwoord]: in de taal betekende het verhevenheid, en daarna droegen de grammatici het over op een woord dat zelfstandig aanduidt en niet verbonden is met een van de drie tijden. Werd ze in de tweede betekenis niet bekend en werd de eerste niet verlaten, maar wordt ze nu eens voor de eerste en dan weer voor de tweede betekenis gebruikt, dan heet ze letterlijk ten opzichte van de eerste en figuurlijk ten opzichte van de tweede. Een voorbeeld is “asad” (“leeuw”) ten opzichte van het roofdier en de dappere man: ten opzichte van het eerste is het letterlijk, en ten opzichte van het tweede figuurlijk.

al-Mirqāt · p. 12

فَصْلٌ

إِنْ كانَ اللَّفْظُ مُتَعَدِّدًا وَالمَعْنَى واحِدًا يُسَمَّى مُرادِفًا، كَالأَسَدِ وَاللَّيْثِ، وَالغَيْمِ وَالغَيْثِ.

Zijn de meerdere en is de betekenis één, dan heten ze synoniem, zoals “asad” en “layth” [allebei “leeuw”], en “ghaym” en “ghayth”.

al-Mirqāt · p. 13

Test jezelf

3 vragen over wat het commentaar uitlegt. Met 6 van de 10 of meer (twee sterren) gaat de volgende les open.

  1. Vraag 1

    Waarom is “aḍribu” (“ik sla”) voor de grammatici een werkwoord, maar voor de logici geen kalima, het ‘woord’ van de logici?

  2. Vraag 2

    “Witheid” wordt gezegd van sneeuw en van ivoor, maar niet in gelijke mate. Hoe noemt al-Mirqāt zo'n uiting?

  3. Vraag 3

    “Ṣalāh” betekende eerst smeekbede; de Wetgever gebruikte het daarna voor de vaste handelingen van het rituele gebed, het werd in die betekenis bekend, en de eerste betekenis raakte in onbruik. Hoe noemt al-Mirqāt zo'n woord?

Volgende les: De samengestelde uiting

Verder →