فصل
العَكْسُ المُسْتَوِي، ويُقالُ لَهُ العَكْسُ المُسْتَقِيمُ أيْضًا، وهو عِبارَةٌ عن جَعْلِ الجُزْءِ الأوَّلِ مِنَ القَضِيَّةِ ثانِيًا والجُزْءِ الثّانِي أوَّلًا مَعَ بَقاءِ الصِّدْقِ والكَيْفِ. فالسّالِبَةُ الكُلِّيَّةُ تَنْعَكِسُ كنَفْسِها، كقَوْلِكَ: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بحَجَرٍ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِكَ: «لا شَيْءَ مِنَ الحَجَرِ بإنْسانٍ»، بدَلِيلِ الخُلْفِ؛ تَقْرِيرُهُ أنّه لو لم يَصْدُقْ «لا شَيْءَ مِنَ الحَجَرِ بإنْسانٍ» عِنْدَ صِدْقِ قَوْلِنا: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بحَجَرٍ» لَصَدَقَ نَقِيضُهُ، أعْنِي قَوْلَنا: «بَعْضُ الحَجَرِ إنْسانٌ»، فنَضُمُّهُ مَعَ الأصْلِ ونَقُولُ: «بَعْضُ الحَجَرِ إنْسانٌ، ولا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بحَجَرٍ»، يُنْتِجُ: «بَعْضُ الحَجَرِ لَيْسَ بحَجَرٍ»، فيَلْزَمُ سَلْبُ الشَّيْءِ عن نَفْسِهِ، وذلك مُحالٌ. والسّالِبَةُ الجُزْئِيَّةُ لا تَنْعَكِسُ لُزُومًا؛ لجَوازِ عُمُومِ المَوْضُوعِ في الحَمْلِيَّةِ والمُقَدَّمِ في الشَّرْطِيَّةِ، مَثَلًا يَصْدُقُ «بَعْضُ الحَيَوانِ لَيْسَ بإنْسانٍ» ولَيْسَ يَصْدُقُ «بَعْضُ الإنْسانِ لَيْسَ بحَيَوانٍ». والمُوجَبَةُ الكُلِّيَّةُ تَنْعَكِسُ إلى مُوجَبَةٍ جُزْئِيَّةٍ، فقَوْلُنا: «كُلُّ إنْسانٍ حَيَوانٌ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِنا: «بَعْضُ الحَيَوانِ إنْسانٌ»، ولا يَنْعَكِسُ إلى مُوجَبَةٍ كُلِّيَّةٍ؛ لأنّه يَجُوزُ أنْ يَكُونَ المَحْمُولُ والتّالِي عامًّا كما في مِثالِنا، فلا يَصْدُقُ «كُلُّ حَيَوانٍ إنْسانٌ». وهٰهُنا شَكٌّ، تَقْرِيرُهُ أنّ قَوْلَنا: «كُلُّ شَيْخٍ كانَ شابًّا» مُوجَبَةٌ كُلِّيَّةٌ صادِقَةٌ، مَعَ أنّ عَكْسَهُ «بَعْضُ الشّابِّ كانَ شَيْخًا» لَيْسَ بصادِقٍ. وأُجِيبَ عنه بأنّ عَكْسَهُ لَيْسَ ما ذَكَرْتَ، بل عَكْسُهُ «بَعْضُ مَن كانَ شابًّا شَيْخٌ». وقد يُجابُ بوَجْهٍ آخَرَ، وهو أنّ حِفْظَ النِّسْبَةِ لَيْسَ بضَرُورِيٍّ في العَكْسِ، فعَكْسُهُ «بَعْضُ الشّابِّ يَكُونُ شَيْخًا»، و هو صادِقٌ لا مَحالَةَ. والمُوجَبَةُ الجُزْئِيَّةُ تَنْعَكِسُ إلى مُوجَبَةٍ جُزْئِيَّةٍ، كقَوْلِنا: «بَعْضُ الحَيَوانِ إنْسانٌ» يَنْعَكِسُ إلى قَوْلِنا: «بَعْضُ الإنْسانِ حَيَوانٌ». وقد يُورَدُ على انْعِكاسِ المُوجَبَةِ الجُزْئِيَّةِ كنَفْسِها إيرادٌ، وهو أنّ «بَعْضَ الوَتِدِ في الحائِطِ» صادِقٌ، وعَكْسَهُ أعْنِي «بَعْضَ الحائِطِ في الوَتِدِ» غَيْرُ صادِقٍ. والجَوابُ أنّا لا نُسَلِّمُ أنّ عَكْسَ هذه القَضِيَّةِ ما قُلْتَ مِن «بَعْضِ الحائِطِ في الوَتِدِ»، بل عَكْسُهُ «بَعْضُ ما في الحائِطِ وَتِدٌ»، ولا مِرْيَةَ في صِدْقِهِ. وباقِي مَباحِثِ العُكُوسِ مِن عَكْسِ المُوَجَّهاتِ والشَّرْطِيّاتِ فمَذْكُورٌ في المُطَوَّلاتِ.
De , ook de rechte omkering genoemd, is: het eerste deel van een tot het tweede maken en het tweede deel tot het eerste, terwijl de waarheid en de kwaliteit blijven. De algemeen ontkennende wordt tot zichzelf omgekeerd, zoals “Geen mens is een steen”, dat omgekeerd wordt tot “Geen steen is een mens”. [Dat blijkt] uit het bewijs uit het ongerijmde. Dat gaat zo: als “Geen steen is een mens” niet waar was terwijl onze uitspraak “Geen mens is een steen” waar is, dan zou het ervan waar zijn, onze uitspraak “Sommige stenen zijn mensen”. Die voegen we bij het origineel en we zeggen: “Sommige stenen zijn mensen, en geen mens is een steen”; dat levert op: “Niet elke steen is een steen.” Dan volgt dat iets van zichzelf ontkend wordt, en dat is onmogelijk. De ontkennende wordt niet noodzakelijk omgekeerd, omdat het in een categorische, en het in een voorwaardelijke, algemener kan zijn. Zo is “Niet elk dier is een mens” waar, maar “Niet elke mens is een dier” is niet waar. De algemeen bevestigende wordt omgekeerd tot een particulier bevestigende: onze uitspraak “Elke mens is een dier” wordt omgekeerd tot “Sommige dieren zijn mensen”. Ze wordt niet omgekeerd tot een algemeen bevestigende, omdat het , of het , algemener kan zijn, zoals in ons voorbeeld; “Elk dier is een mens” is dan ook niet waar. Hier rijst een twijfel, die zo gaat: onze uitspraak “Elke grijsaard was een jongeman” is een ware algemeen bevestigende, en toch is haar omkering, “Sommige jongemannen waren grijsaards”, niet waar. Het gegeven antwoord is dat haar omkering niet is wat je gezegd hebt; haar omkering is: “Sommigen van wie jongemannen waren, zijn grijsaards.” Soms wordt een ander antwoord gegeven: bij omkering is het niet vereist de relatie [precies zoals ze was] te bewaren, dus haar omkering is “Sommige jongemannen zullen grijsaards worden”, en dat is ongetwijfeld waar. De particulier bevestigende wordt omgekeerd tot een particulier bevestigende, zoals “Sommige dieren zijn mensen”, dat omgekeerd wordt tot “Sommige mensen zijn dieren”. Soms wordt tegen het omkeren van de particulier bevestigende tot zichzelf een bezwaar ingebracht: “Sommige pinnen zitten in de muur” is waar, maar de omkering ervan, ik bedoel “Sommige muren zitten in de pin”, is niet waar. Het antwoord is: we geven niet toe dat de omkering van deze propositie is wat je gezegd hebt, “Sommige muren zitten in de pin”; haar omkering is “Sommige dingen die in de muur zitten, zijn pinnen”, en dat is zonder twijfel waar. De rest van de besprekingen van de omkering – de omkering van modale en van – staat in de uitvoerige werken.
al-Mirqāt · p. 34