فصل في المركبات
المُرَكَّبَةُ قَضِيَّةٌ رُكِّبَتْ حَقِيقَتُها مِن إيجابٍ وسَلْبٍ، والاعْتِبارُ في تَسْمِيَتِها مُوجَبَةً أو سالِبَةً لِلْجُزْءِ الأوَّلِ؛ فإنْ كانَ الجُزْءُ الأوَّلُ مُوجَبًا كقَوْلِكَ: «بالضَّرُورَةِ كُلُّ كاتِبٍ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا» سُمِّيَتْ مُوجَبَةً، وإنْ كانَ الجُزْءُ الأوَّلُ سالِبًا كقَوْلِنا: «بالضَّرُورَةِ لا شَيْءَ مِنَ الكاتِبِ بساكِنِ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا» سُمِّيَتْ سالِبَةً. ومِنَ المُرَكَّباتِ المَشْرُوطَةُ الخاصَّةُ، وهي المَشْرُوطَةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، ومَرَّ مِثالُها إيجابًا وسَلْبًا. ومِنْها العُرْفِيَّةُ الخاصَّةُ، وهي العُرْفِيَّةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، كما تَقُولُ: «دائِمًا كُلُّ كاتِبٍ مُتَحَرِّكُ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا» و«دائِمًا لا شَيْءَ مِنَ الكاتِبِ بساكِنِ الأصابِعِ ما دامَ كاتِبًا لا دائِمًا». ومِنْها الوُجُودِيَّةُ اللّاضَرُورِيَّةُ، وهي المُطْلَقَةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّاضَرُورَةِ بحَسَبِ الذّاتِ، كقَوْلِنا: «كُلُّ إنْسانٍ كاتِبٌ بالفِعْلِ لا بالضَّرُورَةِ» في الإيجابِ، و«لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بكاتِبٍ بالفِعْلِ ولا بالضَّرُورَةِ» في السَّلْبِ. ومِنْها الوُجُودِيَّةُ اللّادائِمَةُ، وهي المُطْلَقَةُ العامَّةُ مَعَ قَيْدِ اللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، كقَوْلِكَ في الإيجابِ: «كُلُّ إنْسانٍ ضاحِكٌ بالفِعْلِ لا دائِمًا»، وقَوْلِكَ في السَّلْبِ: «لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بضاحِكٍ بالفِعْلِ لا دائِمًا». ومِنْها الوَقْتِيَّةُ، وهي الوَقْتِيَّةُ المُطْلَقَةُ إذا قُيِّدَ باللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، كقَوْلِنا: «بالضَّرُورَةِ كُلُّ قَمَرٍ مُنْخَسِفٌ وَقْتَ حَيْلُولَةِ الأرْضِ بَيْنَهُ وبَيْنَ الشَّمْسِ لا دائِمًا» و«بالضَّرُورَةِ لا شَيْءَ مِنَ القَمَرِ بمُنْخَسِفٍ وَقْتَ التَّرْبِيعِ لا دائِمًا». ومِنْها المُنْتَشِرَةُ، وهي المُنْتَشِرَةُ المُطْلَقَةُ المُقَيَّدَةُ باللّادَوامِ بحَسَبِ الذّاتِ، مِثالُها: «بالضَّرُورَةِ كُلُّ إنْسانٍ مُتَنَفِّسٌ في وَقْتٍ ما لا دائِمًا» و«بالضَّرُورَةِ لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بمُتَنَفِّسٍ وَقْتًا ما لا دائِمًا». ومِنْها المُمْكِنَةُ الخاصَّةُ، وهي الّتي حُكِمَ فيها بارْتِفاعِ الضَّرُورَةِ المُطْلَقَةِ عن جانِبَيِ الوُجُودِ والعَدَمِ جَمِيعًا، كقَوْلِكَ: «بالإمْكانِ الخاصِّ كُلُّ إنْسانٍ ضاحِكٌ» و«بالإمْكانِ الخاصِّ لا شَيْءَ مِنَ الإنْسانِ بضاحِكٍ».
Een samengestelde [modale ] is een propositie waarvan de is samengesteld uit een bevestiging en een ontkenning. Of ze bevestigend of ontkennend genoemd wordt, hangt af van het eerste deel. Is het eerste deel bevestigend, zoals in “Noodzakelijk beweegt elke schrijver zijn vingers zolang hij schrijft, niet altijd”, dan heet ze bevestigend; is het eerste deel ontkennend, zoals wanneer we zeggen: “Noodzakelijk heeft geen schrijver stilstaande vingers zolang hij schrijft, niet altijd”, dan heet ze ontkennend. Tot de samengestelde behoort de speciale conditionele: de algemene conditionele met de beperking van niet-bestendigheid wat het wezen betreft; het voorbeeld ervan, bevestigend en ontkennend, is al gegeven. Daartoe behoort de speciale conventionele: de algemene conventionele met de beperking van niet-bestendigheid wat het wezen betreft, zoals in “Altijd: elke schrijver beweegt zijn vingers zolang hij schrijft, niet altijd” en “Altijd: geen schrijver heeft stilstaande vingers zolang hij schrijft, niet altijd”. Daartoe behoort de niet-noodzakelijke existentiële: de algemene absolute met de beperking van niet-noodzakelijkheid wat het wezen betreft, zoals wanneer we zeggen: “Elke mens is daadwerkelijk een schrijver, niet noodzakelijk” voor de bevestigende, en “Geen mens is daadwerkelijk een schrijver, en niet noodzakelijk” voor de ontkennende. Daartoe behoort de niet-bestendige existentiële: de algemene absolute met de beperking van niet-bestendigheid wat het wezen betreft, zoals voor de bevestigende “Elke mens lacht daadwerkelijk, niet altijd”, en voor de ontkennende “Geen mens lacht daadwerkelijk, niet altijd”. Daartoe behoort de temporele: de absolute temporele als die beperkt wordt door niet-bestendigheid wat het wezen betreft, zoals wanneer we zeggen: “Noodzakelijk is elke maan verduisterd op het moment dat de aarde tussen haar en de zon komt, niet altijd” en “Noodzakelijk is geen maan verduisterd ten tijde van de kwadratuur, niet altijd”. Daartoe behoort de verspreide: de absolute verspreide, beperkt door niet-bestendigheid wat het wezen betreft; het voorbeeld ervan is: “Noodzakelijk ademt elke mens op enig moment, niet altijd” en “Noodzakelijk ademt geen mens op enig moment, niet altijd”. Daartoe behoort de speciale mogelijke: een propositie waarin geoordeeld wordt dat de absolute noodzakelijkheid van beide kanten tegelijk opgeheven is, van bestaan en van niet-bestaan, zoals in “Volgens speciale mogelijkheid lacht elke mens” en “Volgens speciale mogelijkheid lacht geen mens”.
al-Mirqāt · p. 28