ثُمَّ اللفظُ إما مُفردٌ: وهو الذي لا يُرَادُ بالجزءِ منه دلالةٌ على جزءِ معناه كالإنسانِ، وإما مُؤلفٌ وهو الذي لا يكونُ كذلك كرامي الحجارةِ
لما فرغَ من بيان الدِّلالاتِ الثلاث شرعَ في تقسيم اللفظ فنقول: اللفظُ ينقسمُ إلى قسمين مفردٍ، ومؤلفٍ لأنه إما أن لا يرادَ بالجزء منه أي من اللفظ الدلالةُ على جزء معناه كالإنسان، فإنه لفظٌ لا يُرَادُ بالجزء منه دلالةٌ على جزء معناه، أو يُرادَ ذلك كقولك رامي الحجارة فإنه لفظ يدلُّ جزؤهُ على جزء معناه لأن الرامي يدلُّ على ذاتِ مَنْ له الرميُ، والحجارةَ يدلُّ على جسمٍ معينٍ، فإن كان الأول فهو مفردٌ، وإن كان الثاني فهو مؤلفٌ، وقولهُ لا يراد بالجزء منه دلالةٌ على جزء معناه صادقٌ على أربعةِ أقسامٍ: الأول أن لا يكونَ له جزءٌ أصلاً نحو قِ علماً، والثاني أن يكونَ له جزءٌ ولا معنى له نحو زيدٌ علماً، والثالث أن يكون له جزءٌ ذو معنى لكن لا يدلُّ عليه نحو عبدالله علماً لأن معناه شخصٌ مُعيَّنٌ، والرابع أن يكونَ له جزءٌ ذو معنى دالٌّ عليه لكنْ لا يكون دلالتُهُ مراداً نحو الحيوان الناطق علما، لأن معناه حينئذٍ الماهيةُ الإنسانيةُ مع التشخُّص.
Nu hij klaar is met de uitleg van de drie soorten , begint hij de in te delen. We zeggen dus: de uiting wordt in twee soorten verdeeld, en samengesteld. Want ofwel is een deel ervan – dat wil zeggen: van de uiting – niet bedoeld om een deel van haar betekenis aan te duiden, zoals “mens”, een uiting waarvan een deel niet bedoeld is om een deel van haar betekenis aan te duiden; ofwel is dat wel bedoeld, zoals wanneer men zegt “werper van stenen”, een uiting waarvan een deel een deel van haar betekenis aanduidt: “werper” duidt de persoon aan die werpt, en “stenen” duidt een bepaald soort lichaam aan. In het eerste geval is ze enkelvoudig, in het tweede samengesteld. Zijn woorden “een deel ervan is niet bedoeld om een deel van de betekenis aan te duiden” gelden voor vier gevallen. Eerste: de uiting heeft helemaal geen deel, zoals “qi” (“bescherm!”) als eigennaam. Tweede: ze heeft wel een deel, maar dat deel heeft geen betekenis, zoals “Zayd” als eigennaam. Derde: ze heeft een deel met een betekenis, maar dat deel duidt die betekenis niet aan, zoals “ʿAbd Allāh” (“dienaar van God”) als eigennaam, want de betekenis daarvan is een bepaalde persoon. Vierde: ze heeft een deel met een betekenis dat die betekenis ook aanduidt, maar die aanduiding is niet bedoeld, zoals “redelijk dier” als eigennaam gebruikt, want de betekenis is dan het menselijk wezen samen met individuering.
Sharḥ Īsāghūjī · p. 16