Home / Indian path · level 2 / Les 20 van 25

Op slot

Demonstratie

Terug naar level 3

Preview

A look at lesson 20 of level 2. Level 2 opens after level 1; until then you can read this lesson, but its test and the way on stay closed.

Indian path · level 2 · al-Mirqāt · Les 20 van 25

Demonstratie

De vijf kunsten

الصِّنَاعَات الخَمْس

Arabic text after the print of Deoband after 1336/1917 · translation by The Mantiqi, draft

About this text

al-Mirqāt المِرْقاة

Faḍl-i Imām Khayrābādī (d. 1243 or 1244/1828–29)

Text
Arabic: al-Mirqāt, with al-Shīrkūtī's gloss al-Mirʾāt (gloss not reproduced), checked against the Delhi print of 1286/1869 (Sayyid al-Maṭābiʿ); vowel marks added by The Mantiqi (draft), Kutub Khāna Iʿzāziyya, Deoband after 1336/1917 View the scan
Translation
The Mantiqi's own; a draft.
Review
Draft, awaiting review by Ustadh Muhammad Yusuf.

De tekst Faḍl-i Imām Khayrābādī

فَصْلٌ فِي البُرْهانِ وَما يَتَعَلَّقُ بِهِ

اعْلَمْ أَنَّ البُرْهانَ قِياسٌ مُؤَلَّفٌ مِنَ اليَقِينِيّاتِ، بَدِيهِيَّةً كانَتْ أَوْ نَظَرِيَّةً مُنْتَهِيَةً إِلَيْها، وَلَيْسَ الأَمْرُ كَما زُعِمَ أَنَّ البُرْهانَ إِنَّما يَتَأَلَّفُ مِنَ البَدِيهِيّاتِ فَحَسْبُ. ثُمَّ البَدِيهِيّاتُ سِتَّةٌ: أَحَدُها الأَوَّلِيّاتُ، وَهِيَ قَضايا يَجْزِمُ العَقْلُ فِيها بِمُجَرَّدِ الالْتِفاتِ وَالتَّصَوُّرِ، وَلا يَحْتاجُ إِلَى واسِطَةٍ، كَقَوْلِكَ: «الكُلُّ أَعْظَمُ مِنَ الجُزْءِ». وَثانِيها الفِطْرِيّاتُ، وَهِيَ ما يُفْتَقَرُ إِلَى واسِطَةٍ غَيْرِ غائِبَةٍ عَنِ الذِّهْنِ أَصْلًا، وَيُقالُ لِهٰذِهِ القَضايا: قَضايا قِياساتُها مَعَها، نَحْوُ: «الأَرْبَعَةُ زَوْجٌ»؛ فَإِنَّ مَنْ تَصَوَّرَ مَفْهُومَ الأَرْبَعَةِ، وَتَصَوَّرَ مَفْهُومَ الزَّوْجِ بِأَنَّهُ هُوَ الَّذِي يَنْقَسِمُ بِمُتَساوِيَيْنِ، حَكَمَ بَداهَةً بِأَنَّ الأَرْبَعَةَ زَوْجٌ؛ وَنَحْوُ قَوْلِنا: «الواحِدُ نِصْفُ الاثْنَيْنِ»؛ فَإِنَّ العَقْلَ يَحْكُمُ بِهِ بَعْدَ أَنْ يُلاحِظَ مَفْهُومَ نِصْفِ الاثْنَيْنِ وَالواحِدِ. وَثالِثُها الحَدْسِيّاتُ، وَهُوَ ظُهُورُ المَبادِي دَفْعَةً واحِدَةً مِنْ دُونِ أَنْ يَكُونَ هُناكَ حَرَكَةٌ فِكْرِيَّةٌ. وَالفَرْقُ بَيْنَ الحَدْسِ وَالفِكْرِ أَنَّهُ لا بُدَّ فِي الفِكْرِ مِنَ الحَرَكَتَيْنِ لِلنَّفْسِ، بِخِلافِ الحَدْسِ؛ فَإِنَّ الذِّهْنَ بَعْدَ ما حَصَلَ لَهُ المَطْلُوبُ بِوَجْهٍ ما يَتَحَرَّكُ فِي المَعانِي المَخْزُونَةِ وَالمَبادِي المَكْنُونَةِ طالِبًا لِما يَكُونُ لَها تَناسُبٌ بِالمَطْلُوبِ، حَتَّى يَجِدَ مَعْلُوماتٍ مُناسِبَةً لَهُ، فَهٰهُنا تَمَّ الحَرَكَةُ الأُولَى، ثُمَّ يَرْجِعُ القَهْقَرَى وَيَتَحَرَّكُ ثانِيًا مُرَتِّبًا لِتِلْكَ المَعْلُوماتِ المَخْزُونَةِ الَّتِي وَجَدَها تَرْتِيبًا تَدْرِيجِيًّا، حَتَّى وَصَلَ إِلَى المَطْلُوبِ، وَتَمَّ الحَرَكَةُ الثّانِيَةُ، فَمَجْمُوعُ هاتَيْنِ الحَرَكَتَيْنِ يُسَمَّى بِالفِكْرِ. مَثَلًا: إِذا كُنْتَ تَصَوَّرْتَ الإِنْسانَ بِوَجْهٍ مِنَ الوُجُوهِ، كَالكاتِبِ وَالضّاحِكِ مَثَلًا، ثُمَّ صِرْتَ طالِبًا لِماهِيَّةِ الإِنْسانِ، فَحَرَّكْتَ ذِهْنَكَ نَحْوَ المَعانِي الَّتِي عِنْدَكَ مَخْزُونَةً، فَوَجَدْتَ الحَيَوانَ وَالنّاطِقَ مُناسِبًا لِمَطْلُوبِكَ، فَتَمَّ الحَرَكَةُ الأُولَى، وَمَبْدَؤُهُ المَطْلُوبُ المَعْلُومُ مِنْ وَجْهٍ، وَمُنْتَهاهُ الحَيَوانُ وَالنّاطِقُ. ثُمَّ تُرَتِّبُ الحَيَوانَ وَالنّاطِقَ بِأَنْ تُقَدِّمَ الحَيَوانَ الَّذِي هُوَ الجِنْسُ عَلَى النّاطِقِ، هُوَ الفَصْلُ، وَقُلْتَ: الحَيَوانُ النّاطِقُ، وَهٰهُنا انْقَطَعَ الحَرَكَةُ الثّانِيَةُ وَحَصَلَ المَطْلُوبُ. وَأَمّا الحَدْسُ فَفِيهِ انْتِقالُ الذِّهْنِ مِنَ المَطْلُوبِ إِلَى المَبادِي دَفْعَةً، وَمِنْها إِلَى المَطْلُوبِ كَذٰلِكَ، وَأَكْثَرُ ما يَكُونُ الحَدْسُ عَقِيبَ الشَّوْقِ وَالتَّعَبِ، وَقَدْ تَكُونُ بِدُونِهِما. وَالنّاسُ مُخْتَلِفُونَ فِي الحَدْسِ: فَمِنْهُمْ مَنْ هُوَ قَوِيُّ الحَدْسِ كَثِيرُهُ، يَحْصُلُ لَهُ مِنَ المَطالِبِ أَكْثَرُها بِالحَدْسِ، كَالمُؤَيَّدِ بِالقُوَّةِ القُدْسِيَّةِ كَالحُكَماءِ وَالأَوْلِياءِ وَالأَنْبِياءِ؛ وَمِنْهُمْ مَنْ هُوَ قَلِيلُ الحَدْسِ ضَعِيفُهُ؛ وَمِنْهُمْ مَنْ لا حَدْسَ لَهُ، كَالمُنْتَهِي فِي البَلادَةِ. وَمِنْ هٰذا يُعْلَمُ أَنَّ البَداهَةَ وَالنَّظَرِيَّةَ مُخْتَلِفانِ بِالأَشْخاصِ وَالأَوْقاتِ؛ فَرُبَّ حَدْسِيٍّ عِنْدَ فاقِدِ القُوَّةِ القُدْسِيَّةِ يَكُونُ نَظَرِيًّا، وَبَدِيهِيًّا عِنْدَ صاحِبِها. وَرابِعُها المُشاهَداتُ، وَهِيَ القَضايا يُحْكَمُ فِيها بِواسِطَةِ المُشاهَدَةِ وَالإِحْساسِ، وَهِيَ تَنْقَسِمُ إِلَى قِسْمَيْنِ: الأَوَّلُ ما شُوهِدَ بِإِحْدَى الحَواسِّ الظّاهِرَةِ، وَهِيَ خَمْسٌ: الباصِرَةُ وَالسّامِعَةُ وَالشّامَّةُ وَالذّائِقَةُ وَاللّامِسَةُ، وَيُسَمَّى هٰذا القِسْمُ بِالحِسِّيّاتِ؛ وَالثّانِي ما أُدْرِكَ بِالمُدْرِكاتِ مِنَ الحَواسِّ الباطِنَةِ الَّتِي هِيَ أَيْضًا خَمْسٌ: الحِسُّ المُشْتَرَكُ المُدْرِكُ لِلصُّوَرِ، وَالخَيالُ الَّتِي هِيَ خِزانَةٌ لَهُ، وَالوَهْمُ المُدْرِكُ لِلمَعانِي الشَّخْصِيَّةِ وَالجُزْئِيَّةِ، وَالحافِظَةُ الَّتِي هِيَ خِزانَةٌ لِلمَعانِي الجُزْئِيَّةِ، وَالمُتَصَرِّفَةُ الَّتِي تَتَصَرَّفُ فِي الصُّوَرِ وَالمَعانِي بِالتَّحْلِيلِ وَالتَّرْكِيبِ، وَيُسَمَّى هٰذا القِسْمُ بِالوِجْدانِيّاتِ؛ وَمُدْرَكاتُ العَقْلِ الصِّرْفِ، أَعْنِي الكُلِّيّاتِ، غَيْرُ مُنْدَرِجٍ فِي هٰذا القِسْمِ. مِثالُ القِسْمِ الثّانِي: كَما حَكَمْنا بِأَنَّ لَنا جُوعًا أَوْ عَطَشًا. وَخامِسُها التَّجْرِبِيّاتُ، وَهِيَ قَضايا يَحْكُمُ العَقْلُ بِها بِواسِطَةِ تَكْرارِ المُشاهَدَةِ وَعَدَمِ التَّخَلُّفِ حُكْمًا كُلِّيًّا، كَالحُكْمِ بِأَنَّ شُرْبَ السَّقَمُونْيا مُسْهِلٌ لِلصَّفْراءِ. وَسادِسُها المُتَواتِراتُ، وَهِيَ قَضايا يُحْكَمُ بِها بِواسِطَةِ إِخْبارِ جَماعَةٍ يَسْتَحِيلُ العَقْلُ تَواطُؤَهُمْ عَلَى الكَذِبِ. وَاخْتَلَفُوا فِي أَقَلِّ عَدَدِ هٰذِهِ الجَماعَةِ: قِيلَ: إِنَّ أَقَلَّهُ أَرْبَعَةٌ، وَقِيلَ: عَشَرَةٌ، وَقِيلَ: أَرْبَعُونَ؛ وَالأَشْبَهُ أَنَّ هٰذا العَدَدَ يَخْتَلِفُ بِاخْتِلافِ حالِ الَّذِينَ أَخْبَرُوهُ وَاخْتِلافِ الواقِعَةِ، فَلا يَتَعَيَّنُ عَدَدٌ، وَالضّابِطَةُ أَنْ يَبْلُغَ إِلَى حَدٍّ يُفِيدُ اليَقِينَ. فَهٰذِهِ السِّتَّةُ هِيَ مَبادِي البَراهِينِ، وَمَقاطِعُ الدَّلِيلِ، وَمُنْتَهَى اليَقِينِ.

Weet dat de een is dat bestaat uit , of die nu vanzelfsprekend zijn of die daarop uitlopen. Het is niet zo, zoals beweerd is, dat de demonstratie alleen uit vanzelfsprekende premissen bestaat. Van vanzelfsprekende premissen zijn er zes. De eerste zijn de : waarin het verstand beslist alleen al door zich ernaar te wenden en [hun termen] voor te stellen, zonder een tussenschakel nodig te hebben, zoals in: “Het geheel is groter dan het deel.” De tweede zijn de aangeboren premissen: premissen die een tussenschakel nodig hebben die nooit afwezig is in de geest. Deze proposities heten ook “premissen die hun bewijs met zich meedragen”, zoals “Vier is even”; want wie het begrip vier voorstelt, en het begrip even voorstelt als wat in twee gelijke [delen] te delen is, oordeelt vanzelfsprekend dat vier even is. En zoals wanneer we zeggen: “Eén is de helft van twee”; want het verstand oordeelt dat zodra het het begrip ‘de helft van twee’ en het begrip ‘één’ beschouwd heeft. De derde zijn de . [Intuïtie] is het in één keer verschijnen van de uitgangspunten, zonder dat daar enige denkbeweging is. Het verschil tussen intuïtie en denken is dat het denken twee bewegingen van de ziel vereist, anders dan de intuïtie. Want de geest beweegt zich, nadat het gezochte hem in een of ander opzicht bekend is geworden, tussen de opgeslagen betekenissen en verborgen uitgangspunten, op zoek naar wat met het gezochte verband houdt, totdat hij bekende zaken vindt die erbij passen; hier is de eerste beweging voltooid. Dan keert hij terug en beweegt zich een tweede keer, terwijl hij de gevonden opgeslagen bekende zaken stap voor stap ordent, totdat hij bij het gezochte uitkomt; en de tweede beweging is voltooid. De twee bewegingen samen heten denken. Een voorbeeld: heb je je de mens in een of ander opzicht voorgesteld, zoals als schrijver of als lachend [wezen], en ga je daarna op zoek naar het wezen van de mens, dan beweeg je je geest naar de betekenissen die bij je opgeslagen zijn en vind je dier en redelijk passend bij wat je zoekt; zo is de eerste beweging voltooid: haar beginpunt is het gezochte, in één opzicht bekend, en haar eindpunt dier en redelijk. Dan orden je dier en redelijk door dier, dat het is, vóór redelijk te zetten, dat het is, en zeg je: “redelijk dier”. Hier eindigt de tweede beweging en is het gezochte verkregen. Bij intuïtie daarentegen gaat de geest in één keer van het gezochte naar de uitgangspunten, en van daar op dezelfde manier naar het gezochte. Intuïtie komt meestal na verlangen en inspanning, maar kan ook zonder die komen. Mensen verschillen in intuïtie: sommigen hebben een sterke en overvloedige intuïtie, zodat het meeste van wat ze zoeken hun door intuïtie toekomt, zoals wie gesteund wordt door de heilige kracht, zoals de wijsgeren, de heiligen en de profeten; sommigen hebben weinig en zwakke intuïtie; en sommigen hebben helemaal geen intuïtie, zoals wie uiterst traag van begrip is. Hieruit blijkt dat vanzelfsprekend en verworven zijn verschillen naargelang personen en tijden: menige intuïtieve [propositie] is verworven voor wie de heilige kracht mist, en vanzelfsprekend voor wie haar heeft. De vierde zijn de waarnemingen: proposities waarover geoordeeld wordt door middel van waarneming en zintuiglijke gewaarwording. Ze vallen in twee soorten. De eerste is wat waargenomen wordt met een van de uitwendige zintuigen, die vijf zijn: zien, horen, ruiken, proeven en tasten; deze soort heet de zintuiglijke premissen. De tweede is wat waargenomen wordt door de waarnemende vermogens onder de inwendige zintuigen, die ook vijf zijn: de gemeenschappelijke zin, die vormen waarneemt; de verbeeldingskracht, die daarvan de opslagplaats is; het inbeeldingsvermogen, dat individuele en betekenissen waarneemt; het geheugen, dat de opslagplaats van de particuliere betekenissen is; en het combinerende vermogen, dat met vormen en betekenissen werkt door ze te scheiden en te verbinden. Deze soort heet de innerlijk ervaren premissen. Wat het zuivere verstand waarneemt, ik bedoel de , valt niet onder deze soort. Een voorbeeld van de tweede soort: zoals wanneer we oordelen dat we honger of dorst hebben. De vijfde is de ervaringskennis: proposities waarover het verstand een algemeen oordeel velt door middel van herhaalde waarneming en het nooit uitblijven [van het gevolg], zoals het oordeel dat het drinken van scammonia de gal afdrijft. De zesde zijn de : proposities waarover geoordeeld wordt op grond van berichten van een groep van wie het verstand het onmogelijk acht dat ze het eens zijn geworden over een leugen. Men verschilt over het kleinste aantal van zo'n groep: gezegd is dat het kleinste aantal vier is, of tien, of veertig. De meest waarschijnlijke opvatting is dat het aantal verschilt naargelang de toestand van wie berichten en naargelang de gebeurtenis, zodat er geen vast aantal is; de maatstaf is dat het een punt bereikt dat zekerheid oplevert. Deze zes zijn de uitgangspunten van de demonstraties, waar het bewijs tot rust komt en de zekerheid haar eindpunt bereikt.

al-Mirqāt · p. 46

فائِدَةٌ

زَعَمَ قَوْمٌ أَنَّ المُقَدِّماتِ النَّقْلِيَّةَ لا تُسْتَعْمَلُ فِي القِياسِ البُرْهانِيِّ، ظَنًّا مِنْهُمْ أَنَّ النَّقْلَ يَتَطَرَّقُ إِلَيْهِ الغَلَطُ وَالخَطَأُ مِنْ وُجُوهٍ شَتَّى، فَكَيْفَ يَكُونُ مَبادِيَ القِياسِ البُرْهانِيِّ الَّذِي يُفِيدُ القَطْعَ؟ وَإِنَّ هٰذا الظَّنَّ إِثْمٌ؛ لِأَنَّ النَّقْلَ كَثِيرًا ما يُفِيدُ القَطْعَ إِذا رُوعِيَ فِيهِ شَرائِطُ وَانْضَمَّ إِلَيْهِ العَقْلُ. نَعَمْ، لَوْ قِيلَ: إِنَّ النَّقْلَ الصِّرْفَ بِلا اعْتِبارِ انْضِمامِ العَقْلِ مَعَهُ لا يُعْتَبَرُ وَلا يُفِيدُ، لَكانَ لَهُ وَجْهٌ.

Sommigen hebben beweerd dat overgeleverde niet gebruikt worden in een demonstratief , omdat ze meenden dat fout en vergissing op vele manieren in de overlevering binnensluipen: hoe zouden ze dan uitgangspunten kunnen zijn van een demonstratief syllogisme, dat zekerheid oplevert? Dit vermoeden is een zonde, want overlevering levert heel vaak zekerheid op als daarbij bepaalde voorwaarden in acht genomen worden en het verstand eraan toegevoegd wordt. Ja, als men gezegd had dat louter overlevering, zonder dat het verstand eraan toegevoegd wordt, niet meetelt en niets oplevert, dan zou dat enige grond hebben.

al-Mirqāt · p. 49

فَصْلٌ

البُرْهانُ قِسْمانِ: لِمِّيٌّ وَإِنِّيٌّ. أَمّا اللِّمِّيُّ فَهُوَ الَّذِي يَكُونُ الأَوْسَطُ فِيهِ عِلَّةً لِثُبُوتِ الأَكْبَرِ لِلأَصْغَرِ فِي الواقِعِ، كَما أَنَّهُ واسِطَةٌ فِي الحُكْمِ، يُسَمَّى بِهِ لِإِفادَتِهِ اللِّمِّيَّةَ وَالعِلِّيَّةَ. وَأَمّا الإِنِّيُّ فَهُوَ الَّذِي يَكُونُ الأَوْسَطُ فِيهِ عِلَّةً لِلحُكْمِ فِي الذِّهْنِ فَقَطْ، وَلَمْ يَكُنْ عِلَّةً فِي الواقِعِ، بَلْ قَدْ يَكُونُ مَعْلُولًا لَهُ. مِثالُ اللِّمِّيِّ قَوْلُكَ: «زَيْدٌ مَحْمُومٌ؛ لِأَنَّهُ مُتَعَفِّنُ الأَخْلاطِ، وَكُلُّ مُتَعَفِّنِ الأَخْلاطِ مَحْمُومٌ، فَزَيْدٌ مَحْمُومٌ»؛ فَكَما أَنَّ فِي هٰذا القِياسِ الأَوْسَطَ عِلَّةٌ لِثُبُوتِ الحُمَّى لِزَيْدٍ فِي ذِهْنِكَ، كَذٰلِكَ هُوَ عِلَّةٌ لِوُجُودِ الحُمَّى فِي الواقِعِ. وَمِثالُ الإِنِّيِّ قَوْلُكَ: «زَيْدٌ مُتَعَفِّنُ الأَخْلاطِ؛ لِأَنَّهُ مَحْمُومٌ، وَكُلُّ مَحْمُومٍ مُتَعَفِّنُ الأَخْلاطِ، فَزَيْدٌ مُتَعَفِّنُ الأَخْلاطِ»؛ فَوُجُودُ الحُمَّى عِلَّةٌ لِثُبُوتِ كَوْنِهِ مُتَعَفِّنَ الأَخْلاطِ فِي ذِهْنِكَ، وَلَيْسَ عِلَّةً فِي نَفْسِ الأَمْرِ، بَلْ عَسَى أَنْ يَكُونَ الأَمْرُ فِي الواقِعِ بِالعَكْسِ.

De is er in twee soorten: de demonstratie van het waarom en de demonstratie van het dat. De demonstratie van het waarom is die waarin de de oorzaak is dat de buiten de geest aan de kleine toekomt, zoals hij ook de tussenschakel is in het oordeel; ze heet zo omdat ze het waarom geeft, dat wil zeggen: de oorzaak. De demonstratie van het dat is die waarin de middenterm alleen in de geest de oorzaak van het oordeel is, en buiten de geest niet de oorzaak is; hij kan er zelfs het gevolg van zijn. Een voorbeeld van de demonstratie van het waarom is: “Zayd heeft koorts, want zijn lichaamssappen zijn bedorven; en ieder bij wie de lichaamssappen bedorven zijn, heeft koorts; dus Zayd heeft koorts.” Zoals in dit de middenterm de oorzaak is dat de koorts in je geest aan Zayd toegekend wordt, zo is hij ook de oorzaak dat de koorts buiten de geest bestaat. Een voorbeeld van de demonstratie van het dat is: “Zayds lichaamssappen zijn bedorven, want hij heeft koorts; en bij ieder die koorts heeft, zijn de lichaamssappen bedorven; dus Zayds lichaamssappen zijn bedorven.” Het bestaan van de koorts is in je geest de oorzaak dat vastgesteld wordt dat zijn lichaamssappen bedorven zijn, maar het is niet de oorzaak in de zaak zelf; buiten de geest kan het juist andersom zijn.

al-Mirqāt · p. 50

Test jezelf

3 vragen over wat het commentaar uitlegt. Met 6 van de 10 of meer (twee sterren) gaat de volgende les open.

  1. Vraag 1

    Sommigen beweren dat een demonstratie alleen uit vanzelfsprekende premissen bestaat. Wat vindt al-Mirqāt?

  2. Vraag 2

    Hoe verschilt intuïtie volgens al-Mirqāt van denken?

  3. Vraag 3

    “Zayds lichaamssappen zijn bedorven, omdat hij koorts heeft; en ieder die koorts heeft, heeft bedorven lichaamssappen.” Wat voor demonstratie is dit?

Volgende les: Dialectiek, retoriek, poëtica en sofistiek

Verder →