فصل
ويُشْتَرَطُ في إنْتاجِ الشَّكْلِ الثّانِي بحَسَبِ الكَيْفِ ـ أي الإيجابِ والسَّلْبِ ـ اخْتِلافُ المُقَدِّمَتَيْنِ؛ فإنْ كانَتِ الصُّغْرى مُوجَبَةً كانَتِ الكُبْرى سالِبَةً، وبالعَكْسِ؛ وبحَسَبِ الكَمِّ ـ أي الكُلِّيَّةِ والجُزْئِيَّةِ ـ كُلِّيَّةُ الكُبْرى، وإلّا يَلْزَمِ الاخْتِلافُ المُوجِبُ لعَدَمِ الإنْتاجِ، أي صِدْقُ القِياسِ مَعَ إيجابِ النَّتِيجَةِ تارَةً ومَعَ سَلْبِها أُخْرى. ونَتِيجَةُ هذا الشَّكْلِ لا يَكُونُ إلّا سالِبَةً، وضُرُوبُهُ النّاتِجَةُ أيْضًا أرْبَعَةٌ: أحَدُها مِن كُلِّيَّتَيْنِ والصُّغْرى مُوجَبَةٌ، يُنْتِجُ سالِبَةً كُلِّيَّةً، كقَوْلِنا: «كُلُّ ج ب، ولا شَيْءَ مِن ا ب»، «فلا شَيْءَ مِن ج ا». والدَّلِيلُ على هذا الإنْتاجِ عَكْسُ الكُبْرى؛ فإنّكَ إذا عَكَسْتَ الكُبْرى صارَ «لا شَيْءَ مِن ب ا»، وبانْضِمامِها إلى الصُّغْرى انْتَظَمَ الشَّكْلُ الأوَّلُ، ويُنْتِجُ النَّتِيجَةَ المَطْلُوبَةَ. الضَّرْبُ الثّانِي مِن مُوجَبَةٍ كُلِّيَّةٍ كُبْرى وسالِبَةٍ كُلِّيَّةٍ صُغْرى، كقَوْلِنا: «لا شَيْءَ مِن ج ب، وكُلُّ ا ب» يُنْتِجُ: «لا شَيْءَ مِن ج ا». والدَّلِيلُ على الإنْتاجِ عَكْسُ الصُّغْرى وجَعْلُها كُبْرى ثُمَّ عَكْسُ النَّتِيجَةِ. الضَّرْبُ الثّالِثُ مِن مُوجَبَةٍ جُزْئِيَّةٍ صُغْرى وسالِبَةٍ كُلِّيَّةٍ كُبْرى، يُنْتِجُ سالِبَةً جُزْئِيَّةً، كقَوْلِكَ: «بَعْضُ ج ب، ولا شَيْءَ مِن ا ب»، «فلَيْسَ بَعْضُ ج ا». الضَّرْبُ الرّابِعُ مِن سالِبَةٍ جُزْئِيَّةٍ صُغْرى ومُوجَبَةٍ كُلِّيَّةٍ كُبْرى، يُنْتِجُ سالِبَةً جُزْئِيَّةً؛ تَقُولُ: «بَعْضُ ج لَيْسَ ب، وكُلُّ ا ب»، «فبَعْضُ ج لَيْسَ ا».
Om de tweede iets te laten opleveren, is wat de kwaliteit betreft – dat wil zeggen: bevestiging en ontkenning – vereist dat de twee verschillen: is de bevestigend, dan is de grote ontkennend, en omgekeerd. Wat de hoeveelheid betreft – dat wil zeggen: algemeen en zijn – is vereist dat de algemeen is. Anders volgt de wisseling die onvruchtbaarheid meebrengt, dat wil zeggen: dat het de ene keer waar is met een bevestigende conclusie en de andere keer met een ontkennende. De conclusie van deze figuur is altijd ontkennend. Ook haar zijn vier. De eerste bestaat uit twee algemene premissen, waarbij de kleine premisse bevestigend is; die levert een algemeen ontkennende op, zoals wanneer we zeggen: “Elke J is B, en geen A is B”, “dus geen J is A”. Het bewijs dat deze modus iets oplevert, is de van de grote premisse: keert men de grote premisse om, dan wordt die “Geen B is A”; samen met de kleine premisse vormt ze dan de eerste figuur, en die levert de gezochte conclusie op. De tweede modus bestaat uit een algemeen bevestigende grote premisse en een algemeen ontkennende kleine premisse, zoals wanneer we zeggen: “Geen J is B, en elke A is B”, wat oplevert: “Geen J is A.” Het bewijs dat hij iets oplevert, is: de kleine premisse omkeren en tot grote premisse maken, en daarna de conclusie omkeren. De derde modus bestaat uit een particulier bevestigende kleine premisse en een algemeen ontkennende grote premisse; die levert een particulier ontkennende op, zoals in: “Sommige J zijn B, en geen A is B”, “dus niet elke J is A”. De vierde modus bestaat uit een particulier ontkennende kleine premisse en een algemeen bevestigende grote premisse; die levert een particulier ontkennende op. Men zegt: “Niet elke J is B, en elke A is B”, “dus niet elke J is A”.
al-Mirqāt · p. 40