القضايا، القضيةُ: قولٌ يصحُّ أنْ يقالَ لقائلهِ إنهُ صادقٌ فيه، أو كاذبٌ فيه، وهي حملية كقولنا: زيدٌ كاتبٌ، وإمَّا شرطيةٌ متصلةٌ كقولنا: إن كانت الشمسُ طالعةً فالنهارُ موجودٌ، وإمَّا شرطيةٌ مُنفصلةٌ كقولنا: العددُ إمَّا أنْ يكونَ زوجاً أو فرداً
لمَّا فرغَ المصنِّفُ من القول الشارح شرعَ في الحُجَّةِ، وهي القضايا المرتَّبةُ الموصلةُ إلى المطلوب التصديقيّ، والقضيةُ: قولٌ يَصِحُّ أن يُقالَ لقائله: إنَّهُ صادقٌ فيه أو كاذبٌ فيه، وهو الذي يُسمِّيه بعضهُم خبراً، والقولُ: هو المركَّبُ سواءٌ كان لفظاً مركباً كما في القضية الملفوظة، أو مُفهوماً عقلياً مركَّباً كما في القضية المعقولة، وهو أي "القولُ" جنسٌ يَتناولُ الأقوالَ التَّامةَ والنَّاقصةَ والإنشائيةَ، وقولُهُ يصحُّ أن يقال لقائله: إنَّهُ صادقٌ فيه أو كاذبٌ فيه: فصلٌ يُحترزُ به عن الأقوال الناقصة والإنشاءات من الأمر والنهي والاستفهامِ وغيرِها، وهي - أي القضيةُ - تنقسمُ إلى قسمين: أحدهما حمليةٌ، والآخر شرطيةٌ، فإن المحكومَ عليه وبه في القضية إن كانا مُفردين، فالقضيةُ حمليةٌ كقولنا: زيدٌ كاتبٌ، وإلا فشرطيةٌ، وفيه نظرٌ، لأن المحكومَ عليه وبه لا يلزمُ أن يكونا مفردين في الحملية، بل قد يكون أحدُهُما جملةً نحو زيدٌ أبوهُ مُنطلقٌ، والشرطيةُ إما متَّصلةٌ: وهي التي يُحكمُ فيها بصدق قضيةٍ، أو لا صدقِها على تقديرِ صدقِ قضيةٍ أخرى، وهي مُوجبةٌ: إن حُكِمَ فيها بإيجاب صدقِ قضيةٍ على تقديرِ صدقِ قضيةٍ أخرى كقولنا: إن كانت الشمسُ طالعةً فالنهارُ موجودٌ، وسالبةٌ: إن حُكِم فيها بسَلْبِ صدقِ قضيةٍ على تقدير صدقِ قضيةٍ أخرى كقولنا: ليس إن كانت الشمسُ طالعةً فالليلُ موجودٌ، وإما شرطيةٌ منفصلةٌ: وهي التي يُحكَمُ فيها بالتَّنافي بين القضيتينِ، فإن حُكِمَ فيها بالتَّنافي إيجاباً، فالقضيةُ منفصلةٌ موجبةٌ كقولنا: العددُ إمَّا أن يكونَ زوجاً أو فرداً، وإن حُكِمَ فيها بالتَّنافي سلباً، فالقضيةُ منفصلةٌ سالبةٌ كقولنا: ليس إما أنْ يكونَ الإنسانُ أسودَ أو كاتباً.
Nu de auteur klaar is met de , begint hij aan het argument: die zo geordend zijn dat ze leiden tot een gezochte . Een propositie is “een uitspraak waarvan men tegen de spreker terecht kan zeggen dat hij de waarheid spreekt of dat hij onwaar spreekt”; sommigen noemen haar een bericht. Een uitspraak is iets samengestelds: ofwel een , zoals in de uitgesproken propositie, ofwel een samengesteld begrip in de geest, zoals in de gedachte propositie. Zij – dat wil zeggen: “uitspraak” – is een [binnen de definitie] dat volledige uitspraken, onvolledige uitspraken en niet-mededelende uitspraken omvat. Zijn woorden “waarvan men tegen de spreker terecht kan zeggen dat hij de waarheid spreekt of dat hij onwaar spreekt” zijn een dat onvolledige uitspraken en niet-mededelende uitsluit, zoals geboden, verboden, vragen en dergelijke. Zij – dat wil zeggen: de propositie – wordt in twee soorten verdeeld: de ene , de andere voorwaardelijk. Want zijn de twee dingen in de propositie – datgene waarover geoordeeld wordt en wat ervan geoordeeld wordt – allebei , dan is de propositie categorisch, zoals “Zayd is een schrijver”; zo niet, dan is ze voorwaardelijk. Daar valt iets tegen in te brengen, want in een categorische propositie hoeven die twee niet allebei enkelvoudig te zijn: een van beide kan een zin zijn, zoals in “Zayd, zijn vader vertrekt”. De is ofwel verbindend: daarin wordt geoordeeld dat een propositie waar is, of niet waar is, als men aanneemt dat een andere propositie waar is. Ze is bevestigend als ze oordeelt dat een propositie waar is als men aanneemt dat een andere propositie waar is, zoals “Als de zon opgekomen is, is het dag”; en ontkennend als ze oordeelt dat een propositie niet waar is als men aanneemt dat een andere propositie waar is, zoals “Het is niet zo dat, als de zon opgekomen is, het nacht is.” Ofwel is de voorwaardelijke propositie : daarin wordt geoordeeld dat twee proposities onverenigbaar zijn. Wordt die onverenigbaarheid bevestigd, dan is de propositie een bevestigende disjunctieve, zoals “Een getal is even of oneven”; wordt ze ontkend, dan is de propositie een ontkennende disjunctieve, zoals “Het is niet zo dat een mens ofwel zwart is ofwel een schrijver.”
Sharḥ Īsāghūjī · p. 37