الشَّكلُ الأولُ هو الذي جُعِلَ مِعياراً للعلوم، فنُورِدُهُ هنا ليجعلَ دُستوراً، ومِيزاناً يَنتجُ منه المطالبُ كلُّها، وضُروبُهُ المُنتجةُ أربعةٌ: الضَّرْبُ الأولُ: كلُّ جسمٍ مؤلفٌ، وكلُّ مُؤلّفٍ مُحدَثٌ، فكلُّ جسمٍ مُحدَثٌ، الثاني: كلُّ جسمٍ مؤلّفٌ، ولا شيءَ من المؤلّف بقديمٍ، فلا شيءَ من الجسمِ بقديمٍ، الثالثُ: بعضُ الجسمِ مؤلفٌ، وكلُّ مؤلِفٍ حادثٌ، فبعضُ الجسمِ حادثٌ، والرابعُ: بعضُ الجسمِ مؤلّفٌ، ولا شيءَ من المؤلّفِ بقديمٍ، فبعضُ الجسمِ ليس بقديمٍ
لمَّا كان الشَّكلُ الأولُ من الأشكالِ الأربعةِ أصلاً، والباقيةُ مرتدَّةٌ إليه، ولهذا ما جُعِلَ معياراً للعلومِ إلا ذاك، أوردهُ المُصنِّفُ رحمه الله ههنا مع ضُروبه المنتجة دون غيره، ليُجعلَ دُستوراً أي قانوناً، وينتجَ منه المطلوبُ، وتوطئةً ليُفهمَ منه المقصودُ، وضُروبُهُ المنتجةُ أربعةٌ، لأن القسمةَ العقليةَ تقتضي أن تكونَ ستةَ عشرَ، فسقط منها اثنا عشرَ كما بُيِّنَ في المُطوَّلات، وبقي أربعةُ أضربٍ الضَّربُ الأولُ: وهو أن يكونَ من مُوجبتين كُلِّيتين، والنتيجةُ موجبةٌ كليةٌ كقولنا: كلُّ جسمٍ مؤلّفٌ، وكلُّ مُؤلّفٍ مُحدَثٌ، ينتجُ: كلُّ جسمٍ محدثٌ، والضَّربُ الثاني: هو أن يكون من كُلِّيتين، والكُبرى سالبةٌ كليةٌ، والنَّتيجةُ سالبةٌ كليةٌ كقولنا: كلُّ جسمٍ مؤلّفٌ، ولا شيءَ من المؤلّفِ بقديمٍ، ينتجُ: لا شيءَ من الجسمِ بقديمٍ، والضَّربُ الثالثُ: هو أن يكونَ من مُوجبتين، والصُّغرى موجبةٌ جزئيةٌ، والكُبرى مُوجَبةٌ كليةٌ، والنتيجةُ موجبةٌ جزئيةٌ كقولنا: بعضُ الجسمِ مؤلّفٌ، وكلُّ مؤلّفٍ حادثٌ، ينتجُ: بعضُ الجسمِ حادثٌ، والضَّربُ الرابعُ: أن يكونَ من موجبةٍ جزئيةٍ صُغرى، وسالبةٍ كليةٍ كبرى، والنتيجةُ سالبةٌ جزئيةٌ كقولنا: بعضُ الجسمِ مؤلّفٌ، ولا شيءَ من المؤلّفِ بقديمٍ، ينتجُ: بعضُ الجسمِ ليسَ بقديمٍ، ومِنْ هذا يُعرَفُ أن إيجابَ الصغرى وكليةَ الكبرى شرطٌ في الشَّكل الأولِ، وإلا لاختلفت النتيجةُ، أمَّا الأولُ: فلأنه يصدقُ لا شيءَ من الإنسان بفرسٍ، وكلُّ فرسٍ حيوانٌ، والحقُّ الإيجابُ، وإذا بدَّلنا الكُبرى بقولنا: كلُّ فرسٍ صَهَّالٌ، كان الحقُّ السلبَ، أما الثاني: فلأنه يصدقُ كلُّ إنسانٍ حيوانٌ، وبعضُ الحيوانِ فرسٌ، والحقُّ السلبُ، وإذا بدَّلنا الكبرى بقولنا: بعضُ الحيوانِ ضاحكٌ، كان الحقُّ الإيجابَ.
De eerste van de vier is de grondvorm, en de andere worden tot haar teruggebracht; daarom is alleen zij tot maatstaf van de wetenschappen gemaakt. Daarom zette de auteur – moge God hem genadig zijn – haar hier uiteen met haar , en geen van de andere figuren, zodat ze kan dienen als regel – dat wil zeggen: als richtsnoer – waaruit de gezochte conclusie wordt afgeleid, en als voorbereiding waaruit het bedoelde begrepen kan worden. Ze heeft vier productieve modi. Want volgens de verstandelijke indeling zijn er zestien; daarvan vallen er twaalf af, zoals in de uitvoerige werken wordt aangetoond, en er blijven vier modi over. De eerste modus bestaat uit twee algemeen bevestigende , en de conclusie is algemeen bevestigend, zoals onze uitspraak: “Elk lichaam is samengesteld, en elk samengesteld ding is ontstaan”, wat oplevert: “Elk lichaam is ontstaan.” De tweede modus bestaat uit twee algemene premissen, waarvan de grote algemeen ontkennend is, en de conclusie is algemeen ontkennend, zoals onze uitspraak: “Elk lichaam is samengesteld, en geen samengesteld ding is eeuwig”, wat oplevert: “Geen lichaam is eeuwig.” De derde modus bestaat uit twee bevestigende premissen, waarvan de kleine bevestigend is en de grote algemeen bevestigend, en de conclusie is particulier bevestigend, zoals onze uitspraak: “Sommige lichamen zijn samengesteld, en elk samengesteld ding is ontstaan”, wat oplevert: “Sommige lichamen zijn ontstaan.” De vierde modus bestaat uit een particulier bevestigende en een algemeen ontkennende , en de conclusie is particulier ontkennend, zoals onze uitspraak: “Sommige lichamen zijn samengesteld, en geen samengesteld ding is eeuwig”, wat oplevert: “Niet elk lichaam is eeuwig.” Hieruit blijkt dat een bevestigende kleine premisse en een algemene grote premisse voorwaarden zijn in de eerste figuur; anders zou de conclusie wisselen. Wat de eerste [voorwaarde] betreft: “Geen mens is een paard, en elk paard is een dier” is waar, en de ware verhouding is bevestigend; maar als we de grote premisse vervangen door “Elk paard hinnikt”, is de ware verhouding ontkennend. Wat de tweede betreft: “Elke mens is een dier, en sommige dieren zijn paarden” is waar, en de ware verhouding is ontkennend; maar als we de grote premisse vervangen door “Sommige dieren lachen”, is de ware verhouding bevestigend.
Sharḥ Īsāghūjī · p. 68